Kampervaringen Bandoeng (1942-1945)


 (©!!!)
U moet het zich voorstellen: Bandoeng, West-Java, maart 1942. Dertienjarig jongetje, wonend ten noorden van de stad, voetballend met zijn vriendjes op straat en dan opeens: circa 20 Japanse soldaten met lange geweren om hun schouders op kleine fietsen (made in Japan) komen de bergen uit rijden; schreeuwend, zwaaiend en gesticulerend vervolgen zij hun weg via de heuvels richting stad. Dit was mijn kennismaking met het "Imperial Japanese Army".

De tijd daarna was zeer verwarrend, spannend en onzeker. Mijn school (het Christelijk Lyceum) werd al spoedig door de Jappen bezet en grote stadsdelen werden door prikkeldraad en bamboeschotten omgeven om als interneringsplaats voor de Hollanders te dienen. Het was de bedoeling van de bezetters om alles wat blank was te concentreren in grote steden.

Onderwijs kon ik dus niet meer volgen. Je moest trouwens toch oppassen niet opgepakt te worden. Razzias op burgers waren aan de orde van de dag. Na enige maanden belandde ik met mijn ouders in een gezinskamp: huizen, normaal voor één familie bestemd, werden volgepropt met meerdere families. De voorzieningen waren redelijk, er was zelfs nog een bescheiden kampwinkeltje aanwezig.

Na een half jaar werd dit kamp weer opgeheven, mijn moeder werd overgeplaatst naar Batavia, mijn vader ging naar Tjimahi, een klein stadje buiten Bandoeng en ikzelf belandde in het jongenskamp in Bandoeng. Bezittingen waren taboe, alles werd afgepakt. Dit kamp was een oud garnizoenskamp, bestemd voor 6000 soldaten. Er waren ongeveer 150-200 jongeren in dit kamp, de rest waren mannen (oud en jong).

Mijn barak, zo ongeveer 30 m lang en 15 m breed, had een kale stenen vloer. Slapen en zitten deed je op gevlochten bamboematje: hoofdkussen was je rugzak, waarin allerlei spullen van "waarde", zoals shirt, broek, schoenen, zeep, tandenborstel, mok, lepel, etc. Beschikbare slaapruimte zo 2m bij 1,5m. Toiletten waren er niet, maar de snelstromende sloot buiten het gebouw bracht een prima uitkomst. Douche: opgevangen hemelwater en soms een omgebouwde kraan.

Het dagelijks menu was ochtends een bord stijfselpap (hetzelfde als voor behangwerk), in de middag 1/3 broodje (6 cm lang) en 's avonds een kommetje witte rijst met wat sajoer (een soep, waarin bij nader onderzoek groente was te bespeuren), kortom een volledig insufficient dieet, waardoor ondervoeding en hongeroedeem niet uitbleven. Mocht je nog wat geld hebben, dan kon je stiekem wat bijkopen, maar dit was van korte duur!

Uiteraard werd je steeds handiger. Kleren verstellen, schoenen maken, haren knippen, etc etc.: het ging soms moeiteloos.

In tegenstelling tot de ouderen in dit kamp waren de jongeren een gewilde groep voor de dagelijkse corvee buiten het kamp: regelmatig met groepen van 30-40 jongeren op vrachtauto's het kamp uit om allerlei werkzaamheden te verrichten, zoals tuinen, wegen, plantsoenen schoon houden. Buiten Bandoeng heb ik ook nog gewerkt aan een toekomstig spoorlijntje, opgebouwd uit modder en aarde uit het rijstveld - gelukkig is er nooit een trein overheen geweest.

In die tijd sliep ik gewoon op het rijstveld onder een bamboeschotje. Het eten was redelijk, de plaatselijke bevolking stopte ons (20-25 jongens) nog wel eens wat toe.

Smokkelen, bijvoorbeeld door een riool, van eten of van een radiolamp, werd flink bestraft. Een dag in de brandende zon, ontbloot bovenlijf en op je knieën, of 5-6 dagen zonder eten of drinken in een donkere cel, waren de geliefde straffen. Uiteraard kreeg je wel eens een aframmeling, als je bijvoorbeeld niet op tijd boog voor een kampoppasser. Vaak waren het overlopers (Indonesiërs in Japanse dienst) die je graag te grazen namen.

Het meest aansprekende corvee voor mij was het werken in de ziekenbarakken. De voornaamste ziektes waren de dysenterie en paratyphus. Het gevaar van uitdrogen was duidelijk aanwezig. Medische voorzieningen (zoals medicijnen, infuus, etc.) waren er niet, en extra voeding zoals fruit, groente of eieren waren er nauwelijks. Vele ouderen stierven hier en werden elders begraven.

Deze ervaring heeft er voor mij toe bijgedragen, dat ik later medicijnen ben gaan studeren, althans het heeft mij wel gestimuleerd. Deze afgelopen tijd was een periode van overleven, hetgeen ik als jong individu heb moeten ervaren. Ouderen hebben het veel moeilijker gehad, hun psychische weerstand was toch te gering, vandaar de vele kampsyndromen die later zijn geconstateerd.

Wat mijzelf betreft, ik heb geleerd mensen goed waar te nemen en hun eigenschappen te accepteren. Dat heeft mij later goed geholpen bij mijn studie en bij mijn beroep als huisarts

Op 6 augustus 1945, na de tweede atoombom, veranderde alles snel. Er kwam veel eten, aardige Japanners en twee weken later werd ik weer herenigd met mijn voltallige familie.

Bob Klicks
Aalsmeer
 home    :     "gewone mensen"