De bezetting van Arnhem

De Van Goghstraat in Arnhem
in de jaren dertig 

Loopgraven

Ik ben geboren in 1937. Van de eerste jaren van mijn leven weet ik natuurlijk helemaal niets. De oudste dingen die ik me kan herinneren moeten te maken hebben met het uitbreken van de oorlog in 1940. Ik was toen drie jaar.

Achter ons huis was een terrein dat met hoge hekken omgeven was, omdat ze daar ooit tennisbanen hadden willen aanleggen. Maar toen die hekken er eenmaal stonden werd het terrein gebruikt voor het opslaan van bouwmaterialen. Ik weet nog dat daar stapels steigerplanken lagen en balken. Wij woonden in Arnhem helemaal aan de rand van de stad. Daardoor kwam het dat iets verder op in de straat een stuk grond was waar toen nog geen huizen waren gebouwd. Daar konden wij geweldig spelen. Dat stuk grond noemden wij de hei.

Op een gegeven moment waren alle mannen in onze straat daar aan het graven en omdat mijn vader verstand van timmeren had, vertelde hij de mensen hoe ze moesten graven. Met de planken die achter ons huis waren opgeslagen werden allemaal gangen aangelegd. Loopgraven noemden ze dat. Aan de bovenkant van de gangen waren dwarsbalkjes aangebracht zodat de wanden niet in elkaar konden zakken.

Ik herinner me nog dat ik met andere jongens over die balkjes liep om naar de andere kant van de loopgraaf te komen. Of mijn vader ons dat later heeft verboden, herinner ik me niet. Later heb ik begrepen dat dat graven in de meimaand van 1940 is gebeurd. De mensen in de straat wilden veilige plaatsen hebben, waar ze konden schuilen. Want er was immers oorlog uitgebroken.

De loopgraven zijn nooit als schuilplaats gebruikt, maar wel hebben wij er nog lang in gespeeld. En later verdwenen de planken en stortten ze toch weer in elkaar. Maar nog jaren later kon je precies zien waar de loopgraven waren geweest.

Een jaar later ging ik naar de kleuterschool. Die was bij de kerk op de Bakenbergseweg. Dat was een heel eind lopen en aan de hand van mijn broertje Wim moesten we dat hele eind vier keer per dag afleggen. Ik heb nog een foto van ons kleuterklasje in de zandbak naast de school. Ook heb ik nog een foto van het sinterklaasfeest. Alle kinderen hebben een soort kroontje op het hoofd. Aan de kant staan Sinterklaas en Zwarte Piet.

Op Sinterklaasavond moesten Wim en ik ineens onze jassen aantrekken, want mijn moeder wilde een eindje met ons gaan wandelen. Bij bakker Abbenbroek, op het hoekje, kwamen we Sinterklaas en Zwarte Piet tegen. We waren geweldig onder de indruk toen we Sinterklaas een handje moesten geven. Toen we even later weer thuis kwamen, vertelde papa opgewonden dat Sinterklaas ondertussen was geweest. Nou dat kon natuurlijk, want we hadden hem op straat een handje gegeven. Maar hij had een heleboel cadeautjes achtergelaten. We kregen allerlei houten speelgoed: een houten paard en wagen, een blokkendoos en nog veel meer. Later heb ik begrepen dat mijn vader maanden bezig was geweest om al dat speelgoed voor ons te maken.

In datzelfde jaar kreeg ik een ongeluk. Op een dag zat ik in de keuken op de grond te spelen, vlak voor het kolenfornuis, waarop mijn moeder het eten kookte. Zij maakte water warm in een ketel met een zak. Dat waren ketels die boven op het vuur werden gezet en wanneer de houtblokken verbrandden, zakte de ketel langzaam in het fornuis. Op een gegeven moment viel de ketel om en kreeg ik het bijna kokende water over mij heen. Op mijn linkerzij had ik vier grote brandwonden en daarvoor heb ik toen zes weken in het ziekenhuis gelegen. Daarna moest ik nog eens zes weken thuis blijven om te genezen.

Ondertussen was het wel oorlog en dat kon je zien doordat er altijd Duitse soldaten op straat liepen. Op de hoek bij ons in de straat achter de bakkerswinkel waren twee grote houten deuren naar de bakkerij. Op die deuren zag je regelmatig aanplakbiljetten. Daarop werden door de Duitsers allerlei maatregelen bekend gemaakt. Die biljetten bestonden altijd uit twee delen. Bovenaan stond het Duitse wapen: een grote adelaar en daaronder was het plakkaat in tweeën gedeeld. Links stond de aankondiging in het Duits en rechts in het Nederlands. Soms stonden de mensen heel verdrietig bij dat plakkaat te lezen, want dan maakten de Duitsers bekend dat ze voor straf een aantal mensen hadden doodgeschoten. Je snapt natuurlijk wel dat de mensen dan kwaad werden, maar je kon er niets tegen doen. Er waren mensen die er wel wat tegen deden, die gingen in het 'verzet'. Dat wil zeggen dat ze in het geheim de Duitsers gingen tegenwerken.

Verder heb ik van de oorlogsjaren niet zo heel veel gemerkt. Het leven ging gewoon door. Als er boodschappen gedaan worden, moest je niet alleen geld meenemen maar ook een bon. Het eten moest namelijk eerlijk onder de mensen verdeeld worden omdat er tekorten waren. We noemen dat 'distributie'.

Verder hoorde je steeds vaker grote aantallen vliegtuigen overkomen, die op weg gingen naar Duitsland om daar de steden en de fabrieken te bombarderen. Dat gebeurde vooral 's nachts en mijn moeder kwam dan bij ons aan bed om ons te vertellen dat we maar rustig moesten gaan slapen. Als die vliegtuigen eraan kwamen dan werd er luchtalarm geblazen. Overal in de stad stonden sirenes en wanneer die alarm bliezen dan hoorde je een heel hard tweetonig geluid, zoiets als het geluid van een politieauto, maar dan honderd keer zo hard. Je hebt vast wel eens op de eerste maandag van de maand de sirene gehoord. Nou dat geluid was het. De mensen moesten dan allemaal naar binnen en een veilige plek zoeken.

 
naar deel 2
 home    :     "gewone mensen"