Gas- en electriciteitsmuntjes

De mevrouw kwam haar winkelwagentje terugbrengen en omdat ik er juist een nodig had, bood ik haar mijn halve euro. Maar zij sloeg dit aanbod af: zij had haar eigen muntje. "Tja, al die soorten muntjes", was mijn reactie en aangezien ik haar zo rond de veertig jaar schatte,  zei ik: "U zult wel nooit van gasmuntjes hebben gehoord?"
    "Gasmuntjes???"
En ik vertelde haar over een beeld uit mijn jeugdjaren.

Op geregelde tijden kwamen bij ons thuis meteropnemers langs. Een van de gemeentelijke gasfabriek en een van de P.G.E.M., de leverancier van de stroom.[1] Zij schreven niet alleen de stand van de meters op maar zij haalden ze ook leeg. Zowel naast de gas- als de stroommeter was een muntapparaat aangebracht waarin je steeds een munt moest gooien om weer een hoeveelheid energie geleverd te krijgen. Op die manier was het gas en het licht altijd betaald. Iedere week waren vaste posten op de boodschappenlijst voor de kruidenier: tien gas- en tien electriciteitsmunten.

De gasmunten waren van zink en hadden de grootte van de huidige 1 euro-munt. In het midden zat een gaatje en de rand werd onderbroken door een inkeping. De elektriciteitsmunten waren van koper, hadden ook een gaatje in het midden, maar waren vierkant en net zo groot als de toenmalige stuivers, ongeveer 12 mm.

De meteropnemer voor het gas was meneer Steenhuis, die toevallig tegenover ons woonde. Waar hij zijn bijnaam "Blikken Tinus" aan ontleende heb ik nooit kunnen achterhalen, maar misschien had dat wel te maken met de zware tas met duizenden muntjes die hij moest meesjouwen.

Hij stortte de inhoud van de gasmeters op tafel en maakte er allemaal stapeltjes van tien stuks van. In zijn tas staken bosjes dunne touwtjes boven de rand uit. Ieder stapeltje werd met werd zo’n touwtje bij elkaar gebonden. Steenhuis had daar in de loop der jaren een bewonderenswaardige handigheid in gekregen. Was alles samengebonden en geteld, dan verdwenen alle bundeltjes in de grote tas en de meter werd opnieuw verzegeld. Ik weet niet of mijn moeder dan ook nog een betaalbewijsje kreeg.

In de loop van de oorlogsjaren deed zich echter het probleem voor dat de energiebedrijven geen metaal meer konden krijgen om nog nieuwe munten aan te maken. En daardoor ontstond een  betaalwijze die wat moderner aandeed. De zegels van de muntenkasten werden verbroken en met een muntje kon je eindeloos veel energie afnemen, gewoon door het steeds maar in de gleuf te gooien en het onderaan weer op te vangen. En toen zelfs de laatste munten verdwenen waren ontstond als vervanger voor  de gasmunt een 2½-centstuk waar een inkepinkje in was gevijld en werd een vooroorlogse stuiver gebruikt voor de stroommeter. Afrekening bleek ook plaats te kunnen vinden met behulp van de meterstand.

Ook na de oorlog hebben de muntmeters nog een tijdlang hun diensten bewezen, maar geleidelijk aan verloren de meteropnemers hun baan en evolueerde het betalingssysteem tot dat wat we nu hebben: een maandelijkse heffing, een meteropnemer die eens in de drie jaar langs komt en een jaarlijkse, onleesbare rekening.
 

B. van Schaijk
Apeldoorn
Noot 1:
P.G.E.M.: Provinciale Gelderse Electriciteitsmaatschappij.
 home    :     "gewone mensen"