De brug over de rivier Kwai (1943)

De auteur, Dick van Zoonen, in 1941, achttien jaar oud

Krijgsgevangen

Zo begonnen dus de eerste drie maanden gevangenschap in onze eigen kazerne in Bandoeng. In het begin was het regime niet erg streng. 's Middags mocht er bezoek binnenkomen, meest vrouwen en kinderen van de gevangenen. Aan het bezoek kon je briefjes mee geven. Zo kon ik mijn ouders laten weten waar ik zat en hoe het ging.

Algauw werd de bezoekuren korter en minder frequent en na ongeveer een maand werden ze helemaal afgeschaft. Briefjes versturen werd toen veel moeilijker. Het kon alleen nog maar via het corvee dat dagelijks de stad in moest om voorraad voor de keuken te halen. Dit briefjes versturen mocht niet van de Jap en als er iemand betrapt werd, werd er geslagen.

Een keer werden alle krijgsgevangenen in Bandoeng, circa 15.000 man, langs de straten opgesteld om vertoond te worden aan een hoge Japanse generaal. Deze 15.000 man zaten in drie naast elkaar gelegen kazernes omgeven door prikkeldraad. We konden vrijelijk van de ene kazerne naar de andere  lopen, oude kennissen opzoeken en verhalen horen wat iedereen meegemaakt had.

Toen het bezoek afgeschaft werd waren er mannen die 's nachts onder het prikkeldraad door kropen en thuis gingen slapen. De Jap had dit na enige tijd door en ving drie van deze uitbrekers. Ze werden ter dood veroordeeld. Ze werden aan het hek van de kazerne gebonden en met de bajonet door drie soldaten per man afgemaakt. Een vijftigtal hoge Nederlandse officieren werd gedwongen hierbij aanwezig te zijn, soldaten moesten binnenblijven. Ik heb later op de dag wel de doden op straat zien liggen.

In Bandoeng behoefden wij niet te werken voor de Jap. Wij brachten onze tijd door met lezen,  schaken, cabaretvoorstellingen en het volgen van cursussen.

Na drie maanden in Bandoeng werden we op transport gezet, 4000 totoks (volbloed Nederlanders) naar Tjilatjap; de rest, meest Indische jongens (van gemengd Nederlands en Indonesisch bloed), naar Tjimahi. De reis ging als volgt: lopen naar het station Bandoeng 
vijf kilometer, in de trein naar Tjilatjap ongeveer 400 km (duurde bijna de hele dag), lopen naar de kazerne in Tjilatjap, enkele kilometers.

In Tjilatjap werden we gebruikt om de kapotgebombardeerde havenloodsen op te ruimen. De meeste loodsen waren van gegalvaniseerd plaatijzer geweest met stalen geraamtes. Wij moesten de stukken oud ijzer in spoorwagons laden. Het ging allemaal naar Japan dachten wij. Er lagen ook nog spullen die niet verbrand waren, zoals mangaanerts en halfgesmolten tonnetjes met spijkers. Wij maakten er een sport van te proberen sommige wagons te overbelasten, zodat ze defect zouden raken. Ik weet niet of ze ooit echt defect gegaan zijn.

Ook vonden wij hier en daar blikjes met gecondenseerde melk, die door de hitte gecaramelliseerd waren. Als we die vonden, maakten we ze open, hetgeen strikt verboden was, maar we deden het toch. Bij het leegeten van één zo'n blikje werd ik betrapt door de Jap en kreeg ik een klap, met de vlakke hand in het gezicht, niet erg hard. Dit was de enige klap die ik in de oorlog gehad heb.

Na ongeveer vier maanden was de haven schoon en was er niet veel werk meer voor ons. (Ik heb nog eens moeten helpen met munitie sorteren). We werden toen overgeplaatst naar een andere kazerne in Tjilatjap, waar andere krijgsgevangenen uit Bandoeng zaten. Het was er heel gezellig, ik vond er enkele van mijn leraren terug. Tijdens het werk kon je dikwijls praten en interessante gesprekken voeren.

Na enige dagen werden we weer aan het werk gezet, dit keer grond omspitten voor groentetuinen. De Japanse kampcommandant stelde zich voor dat we ons eigen voedsel zouden verbouwen. Het kamp lag dichtbij het strand en we mochten in zee zwemmen. Ook was er een bibliotheek in het kamp. Door het inleveren van één of twee boeken kon je lid worden en boeken lenen. Het eten was niet overdadig en nogal eenzijdig. Er waren weinig zieken in dat kamp en slechts enkele sterfgevallen. We hadden onze eigen officieren en belangrijker onze eigen militaire doktoren. Die doktoren konden wel iets doen, maar de Jap gaf weinig medicijnen, dus hun mogelijkheden waren beperkt.

Eens in de zoveel dagen moesten wij wacht lopen. Met 24 man plus een officier zat je 24 uur in een wachthuis. Steeds acht man bij het hek, één uur wacht, twee uur rust. De Japanse wachtposten buiten, krijgsgevangenen wachtposten binnen het hek. Als je een Japanner voorbij zag komen moest je roepen: "Kérei idjo arimasen" (gegroet, geen bijzonderheden). Als je het niet goed deed werd er geslagen. Je taak was toe te zien dat er geen gevangenen ontsnapten, maar dat gebeurde praktisch nooit omdat iedereen bang was voor de doodvonnissen.

Dagelijks was er appèl waarbij in het Japans geteld moest worden door de mensen in het voorste gelid. Als je het niet goed deed werd er geslagen. Dat tellen in het Japans kan ik nu nog. Dit duurde meestal lang want om 4000 man te tellen en dat te corrigeren voor de zieken in het ziekenzaaltje gaf dikwijls kleine vergissingen en dan moest alles weer over.

Ook moesten wij leren exerceren met Japanse commando's, sommigen ken ik nu nog. Bij alles wat fout ging werd er geslagen. Toen wij ons via onze tolk (een Japans sprekende krijgsgevangene) hierover beklaagden, zei de Japanse kampcommandant: jullie moeten dit niet als een belediging opvatten, slaan is als het kloppen op moerbeibomen in de winter om de sneeuw van de takken te verwijderen, zo maken wij jullie vrij van slechte eigenschappen.

Als iemand in de ogen van de Jap iets fout deed was er strafappèl, urenlang in de brandende zon. Een keer meer dan twaalf uur, omdat iemand betrapt was bij het onder het hek door kruipen om met Javanen handel te drijven.

Misschien lijkt het een beetje een rustoord, maar dat was het niet. Het ergste was dat je niets van je familie hoorde. Achteraf bleek dat in deze tijd mijn ouders en mijn broer ook in verschillende burgerkampen terecht zijn gekomen. Een ander punt wat ons dwarszat was dat dit verloren tijd was. Iedereen wilde weer naar zijn normale werk of zijn studie voortzetten. In Tjilatjap kregen wij van de Jap eindelijk de status van krijgsgevangenen (in plaat van rebellen) en werden wij ook betaald als we werkten, een of twee dubbeltjes per dag. Als je niet werkte kreeg je niets.

In januari 1943 ging ik weer op transport: met een paar honderd man per trein naar Batavia, 400 km, één dag.. In Batavia bleef ik circa tien dagen in het tiende bataljon, vlak bij mijn ouders dus, maar contact was niet mogelijk. Na die tien dagen per trein naar de haven van Tanjong Priok, twintig kilometer, en vandaar met een Japans troepentransportschip - in de ruimen als haringen in een ton - naar Singapore. De reis duurde twee of drie dagen en je mocht alleen aan het dek als je naar de WC moest. In Singapore per vrachtauto naar het grote kazerne complex van Changi . Daar kwamen wij in een enorm kamp met voor het eerst ook Engelse krijgsgevangenen, waar we meteen mee aanpapten.

Hier werd ik van Meint Joustra gescheiden. Hij ging met een beenwond het ziekenhuis in en ik heb hem pas na de bevrijding terug gezien, in Thailand. Met een derde man uit onze kongsi (kongsi is een clubje van mensen die alles met elkaar delen) Henk Matlener ben ik nog heel lang samen gebleven. Hij is een paar jaar geleden overleden.

Ook Singapore was maar van korte duur. Na wederom ongeveer tien dagen moesten wij naar het station. We gingen per trein naar Thailand 2000 km, vijf dagen en nachten, 28 man in een goederenwagon met de deuren open (ontsnappen was toch onmogelijk). Liggen konden we niet, je moest zittende slapen. Eén nacht mochten we halverwege in het station Prai op het perron slapen omdat de trein niet verder kon, heerlijk geslapen. De vijfde dag kwamen we op onze bestemming aan, het station Banpong 80 km ten westen van Bangkok.

Dick van Zoonen
In dienst
De Japanse invasie
Krijgsgevangen
De brug over de Kwai
De film
Psychische gesteldheid
Martonna
Basiskampen
Dagindeling
Houthakken
De bevrijding
Wachten op transport
Huisvesting
Voeding
Medische verzorging
Kleding
Ontspanning
Slotopmerkingen
naar deel vier
 home    :     "gewone mensen"