De brug over de rivier Kwai (1943)

De auteur, Dick van Zoonen, in 1941, achttien jaar oud

Psychische gesteldheid

Ik ben eigenlijk nooit bang geweest, want we waren er altijd van overtuigd dat de oorlog binnen een paar maanden voorbij zou zijn en natuurlijk ook dat wij de oorlog zouden winnen.

Achteraf bekeken was dit eigenlijk niet zo vanzelfsprekend. De oorlog is een dubbeltje op zijn kant geweest als je de geschiedenis naleest. 
Achteraf bezien is er ook een reële dreiging geweest dat de Japanners ons bij een geallieerde landing in de buurt, dood zouden schieten, maar dat geloofden wij niet, net als de joden in europa eigenlijk niet geloofden dat de Duitsers hen dood gingen maken.

We keken min of meer op de Jappen neer en voelden ons superieur (eigenlijk een lelijke trek van ons, we waren helemaal niet zo superieur). We vonden dat zij de eerste slag gewonnen hadden, maar dat ze op wat langere termijn niet opgewassen zouden zijn tegen de enorme productie capaciteit van de geallieerden. Ik zelf was een groot bewonderaar van Churchill.

In het begin ging er een verhaal rond dat een oude Javaanse legende voorspelde dat de bezetting honderd dagen zou duren. Ik heb toen gezegd dat het wel eens duizend dagen zou kunnen duren, maar later vergat ik dat weer. Uiteindelijk heeft het ruim 1200 dagen geduurd.

In het algemeen was onze spirit goed, iedereen was bezig met wat hij na de oorlog zou gaan doen. Ikzelf was bezig mij voor te bereiden op de studie in Delft aan de TH, moreel, maar ook door lessen te nemen bij leraren, waarvan er heel wat in het kamp waren. Verder las ik veel Engels, Frans en Duits. Alles wat los en vast zat, meest serieuze boeken, geschiedenis, filosofie, litteratuur en natuurlijk ook wis- en natuurkunde.

Werden er mensen gek? Nee, bij mijn weten niet, alleen depressies kwamen veel voor. Mensen die erg over hun vrouw en kinderen tobden en dan ziek werden, de moed verloren, niet beter werden van hun ziekte en uiteindelijk dood gingen.

De verhouding met de Engelsen en Australiërs was meestal goed, vooral als je het Engels een beetje beheerste. We zaten dikwijls met  Engelsen of Australiërs in dezelfde kampen, maar niet in dezelfde barakken. Ikzelf wilde graag mijn school-Engels oppoetsen en daar was volop gelegenheid voor. Ik heb toen onder andere Engelse soldatentaal geleerd, nogal ruw. Aangezien ik blijkbaar een visueel geheugen heb, vroeg ik wel eens hoe schrijf je dat woord, waarop soms het antwoord kwam, dat schrijven we niet, dat zeggen we alleen maar.

De eerste twee jaren zaten we met officieren, onderofficieren en minderen (!) in dezelfde kampen. Als er gewerkt moest worden kregen we bij iedere vijftig man een eigen officier mee als een soort toezichthouder. Sommige officieren waren bang voor klappen van de Jap en probeerde ons op te drijven, maar de meeste waren rustig en flink en probeerde ons tegen de Jap te beschermen. Officieren kregen een vast bedrag per maand (bijv. 30 tical) ook als ze niet werkten. Een deel moesten ze inleveren bij de Hollandse kampleiding, die er bijvoeding voor hospitaal patiënten voor kocht. Toch hebben de officieren minder sterfgevallen gehad dan de anderen.

Wij kregen geld als we werkten 35, 25 of 10 stang per dag (100 stang is 1 tical). Voor 5 stang had je een kop koffie, voor 10 stang één eendenei. Als je niet werkte kreeg je niets. Gelukkig rookte ik niet want daar besteedden sommige mensen een groot deel van hun dagloon aan. Mijn uitspattingen waren twee boeken, drie en zes daglonen per boek.

Sabotage plegen deden we niet en langzaam werken was er ook niet bij. Je kreeg met bijvoorbeeld vijf man een taak en je bleef op het werk tot het klaar was. Als er veel zieken waren, moest je langer werken en als er dan nog meer zieken kwamen werd door de Jap een deel van de zieken naar het werk gejaagd. Een Japanse commandant kreeg waarschijnlijk een traject van een paar kilometer toegewezen plus 500 krijgsgevangenen en de opdracht dat traject voor een bepaalde datum klaar te hebben op straffe van ik weet niet wat.

Toch waren de Japanners wel een beetje zuinig op ons, want we waren per slot van rekening goedkoop werkvolk. Er mochten er niet meer dan 5% per jaar doodgaan, leek het. Als we daarboven uit kwamen werd het eten beter en kwamen er meer medicijnen.

In dienst
De Japanse invasie
Krijgsgevangen
De brug over de Kwai
De film
Psychische gesteldheid
Martonna
Basiskampen
Dagindeling
Houthakken
De bevrijding
Wachten op transport
Huisvesting
Voeding
Medische verzorging
Kleding
Ontspanning
Slotopmerkingen

Appendix

De auteur in 1945, tweeëntwintig jaar oud

Was het nu erg de hele krijgsgevangenschap? Ja, te oordelen naar het aantal doden wel. De getallen voor de verschillende groepen voor de spoorlijn waren:
 
Naar de spoorlijn
Vervoerd
overleden
aantal
overleden
procent
Engelsen
23.875
6.318
26,5
Australiërs
8.458
1.800
21,3
Amerikanen
568
131
23,1
Nederlanders
17.391
3.098
17,8
F- en H- forces
10.620
4.250
40,0
60.912
15.597
25.5

Daarnaast nog 162.000 romusha’s (geronselde Aziatische koelies) waarvan meer dan de helft stierf. Ook van de Japanners heb ik wel eens gelezen dat er een vrij groot aantal aan ziekte is bezweken.
F- en H- forces waren Engelsen en Australiërs in een laat stadium uit Singapore gehaald toen de boel niet opschoot.

De begraafplaats van een van de kampen, mogelijk Rintin. Later zijn de graven overgebracht naar het begin- en eindpunt van de spoorlijn.

Wat het geheel enigszins dragelijk maakte was dat het niet meteen erg begon. De situatie verergerde geleidelijk en was op zijn ergst vijftien maanden na de capitulatie. Alles went. Verder ons optimisme. Er waren slechte periodes, maar ook minder slechte, bijvoorbeeld als er weinig werk was en als niet alles onder de modder zat. Thailand heeft ieder jaar een droge periode en een periode met heel veel regen.

Het grootste gevaar dat ons bedreigde was altijd de mogelijkheid ernstig ziek te worden. Dat de Hollanders percentsgewijs minder doden hadden dan de Engelsen  had, denk ik te maken met het feit dat de Hollanders beter gewend waren aan de tropen en voorzichtiger waren met de hygiëne. De meeste Engelsen waren pas een paar weken voor hun gevangenschap uit Engeland vertrokken.

Eigenlijk was de krijgsgevangen tijd er meestal een van high spirits. Na de oorlog zou alles veel beter worden, dan het voor de oorlog was. De gedachte dat er op Java een opstand zou komen, is nooit bij mij opgekomen. Achteraf naïef.

Dick van Zoonen
naar deel zeven
home    :     "gewone mensen"