De brug over de rivier Kwai (1943)

De auteur in 1945, tweeëntwintig jaar oud

De bevrijding

In Tamoeang was niet veel te doen. We moesten een diepe droge gracht om het kamp heen graven van vier meter diep en breed, en viermaal 500 meter lang. Op de hoeken kwamen pillboxen met schietopeningen naar buiten en ook naar binnen. Het zag ernaar uit dat de Jappen ons hierin bij elkaar zouden drijven als de geallieerden dichtbij zouden komen. De Jappen konden ons dan makkelijk in bedwang houden en eventueel allemaal dood schieten. De geallieerden zaten echter nog ver, bij Rangoon, bijna 1000 km van ons kamp. Wel hoorden we regelmatig geallieerde bommenwerpers overvliegen.

Als er geen achterstand op het werk was kregen we ongeveer eens per maand een amateurcabaretvoorstelling. Op een augustusavond in 1945, terwijl wij net zo'n cabaretvoorstelling hadden, kwam plotseling een Engelse sergeant-majoor het toneel ophollen om te vertellen dat de Japanse kampcommandant liet mededelen dat de oorlog afgelopen was. Hierop werd spontaan het God Save the King en het Wilhelmus gezongen. We hebben die nacht niet meer geslapen.

De volgende dag werd het eten meteen beter en na enkele dagen kwamen er Dakota's laag over het kamp vliegen om pakken met etenswaren, medicijnen en boeken boven ons kamp uit te gooien. Door geallieerde officieren werd medegedeeld dat de krijgsgevangenen, ongeacht hun nationaliteit snel naar huis gebracht zouden worden. Vervolgens vertrokken de paar Amerikanen, die er zaten binnen enkele dagen, de Engelsen binnen enkele weken, de Australiërs binnen twee maanden. De meeste Nederlanders zaten tien maanden later nog in Thailand.
 

Wachten op transport

Toen alle Engelsen weg waren kwam er in alle kampen ineens veel plaats. Wij gingen dus naar de beste kampen en ik kwam weer in Nakhon Pathom terecht. Vele anderen kwamen in Bangkok. De reden dat de Hollanders almaar in Thailand moesten blijven hing samen met de opstand op Java. De Nederlandse regering zei: jullie zijn en blijven militair en wij hebben jullie nodig om de opstand in Indië te onderdrukken. Dat ging echter niet zo makkelijk want de Engelsen wilden geen schepen ter beschikking stellen en wilden ook niet meewerken aan de herovering van Indië.

Na enige tijd werden we allemaal medisch gekeurd voor verdere militaire training en terugzending naar Java. Ik werd afgekeurd, omdat ik nog regelmatig aanvallen van malaria en amoebe-dysenterie had.

In december kwamen er ineens een paar duizend vrouwen en kinderen van Java naar Thailand, meest familieleden van ex-gevangenen in Thailand. De herenigde families werden ondergebracht in kampen, waarvan er drie in Nakhon Pathom kwamen. Eén van die familiekampen grensde aan ons mannenkamp.

De commandant van dat vrouwenkamp was luitenant Schilling, een reserve-officier. Ik werd zijn ordonnans. Mijn taak was het rondbrengen, op de fiets, van brieven en andere boodschappen. Verder moest ik gebruikte enveloppen met schaar en lijmpot omdraaien en geschikt maken voor hergebruik. Dat laatste vond ik een vervelend klusje.

In dienst
De Japanse invasie
Krijgsgevangen
De brug over de Kwai
De film
Psychische gesteldheid
Martonna
Basiskampen
Dagindeling
Houthakken
De bevrijding
Wachten op transport
Huisvesting
Voeding
Medische verzorging
Kleding
Ontspanning
Slotopmerkingen

Appendix

Nakhon Pathom-pagode

Veel had ik niet te doen, de tijd die over was bestede ik aan het leren van Thais. Ik leerde ook het Thaise schrift. Het leerboek en de woordenboeken heb ik nog. Na een paar maanden kon ik (eenvoudig) converseren in het Thais en een eenvoudig boekje lezen. De krant lezen is echter te moeilijk gebleven. Ik kocht ook enkele natuurkundeboeken en wiskundeboeken (in het Engels) om mij vast op de studie in Delft voor te bereiden.

In onze vrije tijd mochten we de stad in. Een van mijn eerste gangen was een bezoek aan de pagode die ik zo lang in de verte gezien had. Er omheen waren gaanderijen met vier enorme goudkleurige Boeddha beelden. De pagode zelf was helemaal dicht en bedekt met geglazuurde bruinachtige tegels. Volgens de overlevering zat er een oudere kleinere pagode in de huidige.

Ik en enkele andere ex-gevangenen raakten bevriend met de hoofd-tempelbewaarder. Hij sprak redelijk Engels. We kwamen al spoedig ook bij hem thuis. Ik raakte ook bevriend met een andere Thaise familie, Chittiwan geheten. Sommigen daarvan spraken Engels, sommigen niet. Daar kon ik dus het Thais oefenen, dat ik mezelf aan het leren was. In 1980 hebben mijn vrouw en ik verschillende leden van die familie weer ontmoet.


In die tien maanden mochten wij een paar keer enkele dagen naar Bangkok. De tempelwachter had mij een kaartje en enkele adressen van de meest interessante tempels en paleizen mee gegeven. Ik raakte zeer onder de indruk van al die prachtige, rijk gekleurde tempels, dezelfde tempels waar nu de toeristen in dichte drommen heen gaan.

Eindelijk in juni 1946 werd ik met enkele honderden anderen per M.S. Tabinta naar Holland met ziekteverlof gestuurd. Aan boord kreeg ik nog een keer een malaria-aanval en een aanval van amoebe-dysenterie. Daarna heb ik daar geen last meer van gehad. Na 35 dagen op zee kwamen we in Amsterdam aan. Ik werd bij mijn tante Catrien in Rotterdam ondergebracht en begon kort daarna mijn studie in Delft voor natuurkundig ingenieur.

Dick van Zoonen
naar deel elf
 home    :     "gewone mensen"