De brug over de rivier Kwai (1943)

De kampwinkel of cantine van
Nakhon Pathom (?).

Huisvesting

Als gevangenen waren wij op Java en in Singapore steeds gehuisvest in kazernes, in stenen gebouwen dus. We werden wel nauw gelegerd. In een kazerne waar normaal tweehonderd militairen (met hun vrouwen en kinderen) in gelegerd waren, dus zeg achthonderd mensen, stopten de Japanners 3600 krijgsgevangenen. Ieder kreeg een plaatsje van 2 bij 1 meter, soms 2 meter bij 75 centimeter. Deze afmetingen hebben de hele oorlog door gegolden.

Je lag op de grond op een deken of op een matje,  matrassen waren er niet. Ik had een kussensloop waar een deel van mijn kleding in zat als kussen.

In Thailand lagen we in bamboehutten, honderd meter lang, vijf meter breed. In het midden een pad van 1 meter breed, links en rechts een verhoging van 75 cm hoog, waar wij op lagen. Ieder weer 2 bij 1 meter. Aan het hoofdeinde een schot van bilik (gevlochten Bamboe) van 50 cm, daarboven 50 cm open ruimte, daarboven het atapdak dat schuin omhoog iets overstak, zodat we droog bleven. We lagen op dunne (1 tot 2 cm) bamboes. In Martonna lagen we in Japanse legertenten, twintig man in een tent van 7 bij 5 meter grondvlak. Op de grond wat dwarsbalken, daarop weer dunne bamboes.

In dienst
De Japanse invasie
Krijgsgevangen
De brug over de Kwai
De film
Psychische gesteldheid
Martonna
Basiskampen
Dagindeling
Houthakken
De bevrijding
Wachten op transport
Huisvesting
Voeding
Medische verzorging
Kleding
Ontspanning
Slotopmerkingen

Appendix

 (©!!!)

In Nakhon Pathom lagen we in hutten van planken, overigens hutten van min of meer hetzelfde model als de bamboehutten. De planken, waar we op lagen, waren wat gladder dan de bamboes, je lag dus wat beter. Na de bevrijding lagen wij nog tien maanden in dezelfde hutten, alleen kregen we toen wat meer ruimte,  zeg 2 bij 1,5 meter.
 

Voeding

Thuis in Indië aten wij Europees, dat wil zeggen brood en aardappels met groenten en vlees. Misschien eens in de week rijsttafel. In militaire dienst kregen we al veel meer rijst (rode rijst, dat wil zeggen zilvervliesrijst) met wat groente en vlees. Toen we gevangen waren, verdwenen brood en aardappels meteen van het menu. Ik heb vrijwel altijd genoeg rijst gehad (400 tot 500 gram per dag) om geen of weinig honger te hebben.

Meestal kregen we 's morgens en 's middags rijstepap met niets, 's avonds droge rijst met iets groente en ietsje vlees. Groente 20 tot 40 gram en vlees 10 tot 20 gram per dag, schat ik. Veel mensen werden ziek door vitaminen gebrek. Ikzelf heb daar gelukkig nooit last van gehad.

In de rij om eten te halen. De
foto dateert van vlak na de bevrijding.

Te drinken kregen we meestal een soort slappe thee. Van ongekookt water kreeg je dysenterie. Ieder kamp had een keuken waar zo'n tien of twintig man in werkten; het eten werd in grote emmers naar de barak of naar het werk gebracht door de etenhalers. De etenhalers kregen daar soms een hapje extra voor.

Precies afpassen was niet mogelijk, dus er bleef altijd wat over, dat werd via strikte schema's uit gedeeld, ieder op zijn beurt en de volgende dag de volgende groep.

Van de paar centen die we verdienden konden we soms wat bijkopen, eendeneieren, koffie per kop, reuzel (gesmolten vet in een fles, iedere dag een eetlepel), soms een plakje lever (erg duur, kostte meerdere daglonen). Soms kregen we, als de dokter dat van de Jap los kon krijgen, zo af en toe een lepel rijstslijpsel, waarin veel vitaminen zaten. Normaal was dit afval die naar de varkens ging.

Veel mensen kochten tabak van hun dagloon. Ze rolden sigaretten van die tabak, dikwijls met een soort blaadjes van planten die ze in de jungle vonden. Ik had gelukkig geen behoefte aan roken. Van de Jap kregen we soms 20 velletjes WC-papier, dat gebruikte ik om met hulp van een leraar wiskundesommen op te maken. Na afloop kreeg de leraar de velletjes om sigaretten van te rollen. Sommige mensen rolden sigaretten van de blaadjes uit hun Bijbel. De dominee zei daarvan, ik vind het niet erg, als je maar eerst ieder blaadje leest voor je het oprookt.

Van de Indische jongens leerden we dat je bepaalde blaadjes van struiken die daar in het wild groeiden tot een soort soepje kon koken, wat  vitaminenrijk was. Die soort groenten heetten bajem doeri (spinazie met dorens) en kangkong.

Medische verzorging

Zoals al gezegd hadden we op iedere vijfhonderd man een eigen Nederlandse militaire dokter. Op iedere 10.000 man was er een militaire tandarts. Specialisten waren er ook, vooral chirurgen. Die doktoren hadden soms wat instrumenten en een klein voorraadje medicijnen. De Jap was uiterst karig met het verstrekken van medicijnen. Alle medicijnen waren altijd gerantsoeneerd. Als je malaria had en je koorts was 39,8 zei de dokter dikwijls "sorry maar kinine krijg je pas bij 40 graden".  Veel mensen kregen tegen het einde iedere drie weken een malaria aanval. Ik ook.

Veel mensen kregen tropenzweren, die dikwijls zo ernstig werden dat het been geamputeerd moest worden (gevaar voor gangreen). Soms moest dat zonder verdoving gebeuren en soms met een zaag uit de timmermanswerkplaats. De meeste patiënten overleefden dat. Ik zelf heb een keer vier kleine zweertjes gehad, zo groot als een kwartje, maar sommige mensen hadden er zo groot als een schoteltje.

Veel doktoren wisten, ook al hadden ze geen medicijnen, hun patiënten moed in te spreken. Er waren er echter ook die niets meer deden en iedereen zo maar dood lieten gaan.

Het enige waar de Jap royaal mee was, waren profylactische injecties tegen tyfus, cholera en pest. Aan cholera zijn wel enkele mensen dood gegaan, aan tyfus en pest bij mijn weten niemand. De meeste doden vielen door malaria (tropicana, tertiana en quartana, soms ontaardend in zwartwaterkoorts), door dysenterie (amoebe en bacillaire), vitaminegebrek (beri-beri) en soms door algemene uitputting. Heel belangrijk was of de mensen nog toekomst zagen. Mensen die de moed opgaven, hadden weinig kans.

In augustus 1985 heeft het Nederlands tijdschrift voor geneeskunde een heel nummer gewijd aan de medische toestanden in de kampen in Azië. Er staan ook vijf artikeltjes (12 bladzijden) in van Hollandse doktoren, die aan de spoorlijn gewerkt hebben. Ik heb dat tijdschrift van mijn dochter gekregen en zuinig bewaard. Ik heb overigens een twaalftal boeken en vier videobanden over de krijgsgevangenentijd.

Dick van Zoonen
naar deel twaalf
 home    :     "gewone mensen"