Nijmegen (1943-1945)

 (©!!!)

4. Dolle dinsdag

Dinsdag 5 september 1944

De geallieerden rukken op in België. Foute burgers en individuele Duitse soldaten vluchten richting Duitsland. Soldaten confisqueren zelfs damesfietsen. De inspecteur van politie vlucht; ook het gezin verderop  op de hoek. Het dochtertje van ongeveer tien jaar draagt een netje met kleren en een houten speelgoedhond. Zielig.

Na deze "Dolle dinsdag" herstellen de Duitsers zich. Er marcheert een eindeloze stoet Duitsers door onze straat. Waarschijnlijk om de bevolking te intimideren. Zus B. zegt plotseling: "Die soldaat heb ik al eerder gezien." Over het trottoir lopend tegen de richting van het leger in, zien we dat een gesloten stoet in een driehoek van straten blijft lopen.

Moeder en zus N. gaan met de kinderwagen naar een boer aan de Oude Kleefsebaan bij de Duitse grens om aardappelen te halen 

De scholen moeten beginnen, maar men zegt, dat de Duitsers middelbare scholieren willen inzetten bij de verdediging van de stad. De jongens moeten loopgraven maken en de meisjes aardappelen schillen en sokken stoppen in de kazernes. De directeuren geven door dat het schooljaar daarom niet begint. We moeten thuis blijven.
 

Zaterdag 16 september 1944

Zus B. gaat op de step naar Malden om bij een boer maïs te halen. Als ze op een latere datum zou zijn gegaan, was ze misschien van ons afgesneden, toen het front verstarde. Zo zijn sommige families maandenlang verdeeld geweest.

De onderwijskrachten van heel Nijmegen zijn opgeroepen om naar het stadhuis te komen. Zus N. duikt onder bij vrienden. Vader gaat om te horen hoe of wat. De foute burgemeester L. vraagt dan aan de ambtenaar die de binnenkomenden noteert: "Zijn er nog, die er niet zijn?"  Dat wordt een gevleugelde uitdrukking in de familie.

De burgemeester stelt dat we het gezag moeten gehoorzamen dat aan de macht is. Als er andere personen de macht zouden krijgen, zou hij die gehoorzamen.

Kleine kinderen in de buurt spelen voor verpleegstertje. Zusje J. wil ook een witte sluier. Moeder geeft een luier, die aan het eind van de oorlog dienst doet als theedoek. Ik plak er een rood kruis op. We lopen samen de straat uit. J. trots als verpleegster. Bij de hoek van de St. Annastraat komt een groep Duitsers in looppas onze straat in. Ze hebben beige werkpakken aan en petten op met doodskoppen. Het geeft een gevoel van bedreigd worden. Ik breng J. snel naar huis en ga weer naar buiten.

Bij de schooldirecteur in onze straat zijn de eerder genoemde Duitsers het huis aan het leeghalen als represaille voor de weigering het schooljaar te laten beginnen. Kleren en meubels worden op straat gezet. Mannen, die toevallig passeren, moeten helpen. Een vriendinnetje, haar broer en ik zitten op het hek van de buren, die op een hoek wonen. Wij waarschuwen voorbijlopende mannen, die dan schielijk de zijstraat ingaan. Een man vindt het onzin en loopt door. Hij moet helpen. Wij zeggen tegen elkaar: eigen schuld. We zijn toch nog kinderen.  


Corry Tolhuizen
1. Het laatste jaar
2. Bombardement
3. Zomer '44
4. Dolle dinsdag
5. Bevrijding
6. Slag om Nijmegen
7. Frontstad
8. Alledaags leven
9. Winter '44-'45
10. Het front verschuift
11. Mei '45
12. Herstel
naar deel vijf
 home    :     "gewone mensen"