Nijmegen (1943-1945)

 (©!!!)

7. Nijmegen frontstad

Het front is inmiddels stil komen staan. De slag bij Arnhem is verloren. Er vluchten nog steeds Nijmegenaren naar Brabant. Je moet nu wel een 'permit' van de geallieerden hebben om gebruik te maken van de bruggen over het Maas- en Waalkanaal. Men vlucht vaak op geallieerde voertuigen.

Nijmegen is maandenlang slechts  met het bevrijde gebied in Brabant verbonden via de "corridor", d.w.z. de Graafseweg. Men zegt, dat de Duitsers die 's nachts dwars oversteken. Nijmegen vormt een soort bevrijd eiland, begrensd door de Waal, Maas- en Waalkanaal, Maas en de Duitse grens.

Vader en moeder besluiten te blijven. Vader heeft diverse huissleutels van buren die zijn vertrokken. In de lege huizen worden geallieerde soldaten ingekwartierd. Bij ons zijn dat in het algemeen officieren. Zij slapen boven in de bedden, terwijl wij in de kelder slapen. Ze zitten 's avonds bij ons aan tafel, onder andere om brieven van de soldaten te censureren in de enige kamer waar een kachel brandt.

Zusje J. wordt dan te slapen gelegd op de divan. Als ik wat later ga slapen, draag ik haar met beddengoed en al de keldertrap af en leg haar in haar ledikantje. Ze slaapt door alles heen.

Captain M. is een gezellige man. Hij is vooral gesteld op zusje J. Ze heeft van de zussen het Engelse volkslied geleerd: "God save the king". Het blijft bij de ingekwartierde militairen een groot succes. M. heeft moeite met de uitspraak van mijn naam, noemt mij daarom plagend "Caroline, ma chérie"of  "Caroline with the pigtails". Hij brengt voor moeder een kistje met 13 blikjes corned beef mee. Dertien!

Het enige wat moeder 's avonds kan aanbieden, zijn appels. Zij zet dan een schaal op tafel en biedt de gasten eerst iets aan. Major E., waarvan men zegt dat hij van adel is, weet steeds met zijn lange slanke vingers de mooiste appel onderuit te vissen. Ik word mij bewust, dat adel niet per se beleefd betekent.

Wij lijden geen honger, maar de voeding is zeer eenzijdig. Er is gelukkig een stukje Betuwe bevrijd. De vrouwen en kinderen zijn geëvacueerd naar Nijmegen. De mannen slapen in een nonnenklooster (!) in Lent en gaan overdag hun koeien melken en fruit e.d. oogsten. Dus aan appels geen gebrek. Als er geen brood meer is, eten we combinaties van aardappelen, winterwortelen, uien en appels. Dus: hutspot, hete bliksem of aardappelsla. De aardappelsla wordt aangemaakt met azijn en melk, bij gebrek aan olie. De peterselie komt uit de tuin. Lekker. (Is me later nooit meer gelukt.) Captain M. geeft ons zeven sneden wittebrood. Een delicatesse. Van de wei van melk wordt weipastei gemaakt om op brood te smeren. Niks aan.

Vriendinnetje N. vertelt me, dat je bij de keuken van het Canisiusziekenhuis pap kunt halen, die overgebleven is. We gaan op pad met een kan. We hebben succes.

De gasfabriek blijft gas leveren: 's morgens om zeven uur, gedurende een halfuur en verder van elf tot één uur. Het is puzzelen om binnen die tijd te koken. De melk is niet gepasteuriseerd, moet dus ook gekookt worden. Als de aardappelen nog niet gaar zijn, als het gas wegzakt, gaan ze in een geïmproviseerde hooikist of op de kachel in de huiskamer.

Ik leer aardappelen en groenten koken met precies genoeg water om zo min mogelijk gas te gebruiken (en met behoud van vitaminen)  Maar aanbranden is natuurlijk een ramp.

Er wordt aangekondigd, dat we bonnen kunnen inleveren voor biscuits. We hebben wel eens een pakje verfijnde Canadese biscuits gekregen. We rekenen de te verwachten hoeveelheid biscuits om in het aantal pakjes Canadese biscuits. Als ik met een grote groentetas van gevlochten papiertouw bij de kruidenier kom, zie ik tot mijn schrik, dat grote dikke biscuits in brokken uit een enorm blik in de weegschaal geschud worden en zonder verpakking in de tassen geschoven worden. Thuisgekomen noemt vader het scheepsbeschuit; hij breekt er een kies op. Zus N. rolt de scheepsbeschuit nadien met een fles tot kruimels, waar  moeder pap van kookt.

Bij een andere gelegenheid biedt moeder captain M. aan mee te eten. We hebben "mais porridge". Captain M. bedankt en legt later uit dat hij dacht, dat onze honger wel erg groot moest zijn, omdat we "muizenpap" aten. (Maïspap heet in het Engels "corn porridge".)

Later brengt captain P., nadat hij een tijd aan het front in de Betuwe heeft gelegen een kip mee, die de nek is omgedraaid. De kip moet nog geplukt worden en moeder kookt er soep van. Vervolgens wordt de kip ook nog gebraden. Een feestmaal.

De watertoevoer is in stand gehouden tot we een keer gewaarschuwd worden dat deze zal gaan stagneren. We laten het bad vollopen. Op het laatst komt er alleen nog rood water uit de kraan van de roest van de buizen. Men zegt dat het geen kwaad kan. De roest zakt naar de bodem.

Ik moet brood halen, wil naar bakker A. in de Sint-Annastraat, want daar is de rij kort. Maar moeder wil dat ik naar bakker D. ga in een stille straat, waar minder kans op een Duitse granaat is. Ik zeg bij het weggaan, dat ik naar A. ga. Als ik het tuinpad afloop, besluit ik toch naar links te gaan naar D.

Als ik na geruime tijd (vanwege de lange rij)  thuiskom, word ik ontvangen met luide stemmen: "Daar is ze!"

Er blijkt bij A. een granaat te zijn ingeslagen. De getroffenen zijn naar het Canisiusziekenhuis gebracht. Vader is mij daar gaan zoeken. Als ik vertel, dat ik naar D. ben geweest, stuurt moeder me naar het ziekenhuis om vader te halen. Als ik weer het tuinpad afloop, komt vader net om de hoek. Hij is bleek. Hij vraagt: "Waar kom jij vandaan?" Ik zeg: "van D". Vader valt tegen me uit. Als ik later bij moeder mijn beklag doe - het was in de voortuin, de mensen op straat konden het horen - zegt ze dat het een gevolg was van vaders angst. Ik heb er moeite mee. Hij had toch  blij moeten zijn, dat ik ongedeerd was.

Vriendinnetje N. en ik komen tot de conclusie dat onze ouders zenuwachtig zijn door de oorlog en dat we daar maar begrip voor moeten hebben. 13 jaar!

Steeds als op zondagmorgen mensen naar de kerk lopen, vliegen Duitse vliegtuigen over en schieten of laten bommen vallen. Vader en moeder besluiten, dat we niet meer op zondag naar de kerk gaan. Dan maar door de week.

We herkennen de verschillen tussen de oorlogsgeluiden. Als de Engelse èkèk begint - dit is afweergeschut – vanwege overvliegende Duitse vliegtuigen, weet zelfs zusje J. dat ze plat op de grond moet gaan liggen. Het geluid lijkt op vallende planken die omrollen. De Engelse kanonnen stoppen meestal rond tea time. Engelse en Duitse granaten zijn uit elkaar te houden. Engelse produceren een knallend geluid en wegstervend gefluit. Bij Duitse granaten zwelt het fluitend geluid aan tot je een ontploffing hoort.

Voor de V2-raketten die overvliegen, hoef je geen dekking te zoeken. Ze zijn bestemd voor de haven van Antwerpen, waarlangs de aanvoer van de geallieerden plaatsvindt. We zien ze met een wit spoor in het oosten opstijgen. Het zijn lange-afstandsraketten.

De V1’s zijn voor ons gevaarlijker. Ze worden vliegende bommen genoemd. Ze vliegen over met een blauw vlammetje aan de staart en  maken een bepaald geluid. Als het geluid wegvalt, stort een vliegende bom neer. Zo valt er onder andere een V1 op het Waterkwartier in Nijmegen. (Een vriendin vertelt later, dat zij in Brabant, als een V1 overvloog, baden: "Onze Lieve Vrouwke, geef hem nog een douwke.") Ook in het bevrijde Uden, waar onze naaste buren naar toe zijn gevlucht, stort een V1 neer.

Corry Tolhuizen
1. Het laatste jaar
2. Bombardement
3. Zomer '44
4. Dolle dinsdag
5. Bevrijding
6. Slag om Nijmegen
7. Frontstad
8. Alledaags leven
9. Winter '44-'45
10. Het front verschuift
11. Mei '45
12. Herstel
naar deel acht
 home    :     "gewone mensen"