Leven in een Jappenkamp (1944)


 (©!!!)
In mei 1938 kreeg mijn vader verlof. Ons gezin vertrok toen uit Medan (Sumatra) naar Holland. We gingen in Arnhem wonen. Mijn vader ging in januari '39 weer terug. Mijn moeder zou drie jaar met ons in Nederland blijven om ons te laten wennen aan het land en de scholen.

Maar in '39 kwam de inval in Albanië. Mijn vader telegrafeerde mijn moeder dat we maar gauw weer naar Indië moesten komen. Daar kwamen we op 14 augustus in Semarang bij mijn vader aan. Op 16 augustus gingen we er naar de H.B.S. (het schooljaar begon in Indië in augustus).

Nederland werd bezet door de Duitsers. Wij prezen ons gelukkig dat we daar weg waren. In Indië werden de N.S.B.-ers geïnterneerd. Op de middelbare scholen werd Duits van het lesrooster geschrapt.

In 1941 begon in ons deel van de wereld de ellende met de Japanners. Eind februari '42 kreeg mijn vader twee maanden salaris. Daar moesten we het verder mee doen. Een paar dagen later kwam de inval van de Japanners. Beroepsmilitairen en dienstplichtigen werden geïnterneerd. Mijn vader, zijn collega's en nog vele andere mannen volgden in april. De achterblijvers probeerden bij te verdienen. Mijn broer en ik kochten blikken olie en verhandelden die in kleine hoeveelheden. De Europeanen gingen samenwonen.

Op 28 februari 1942 moesten we het eerste kamp in. Daar zaten we met ongeveer 150 mensen. Het was een klein wijkje met ruime oud-Indische huizen. We mochten het nodige aan meubels, kleren, serviesgoed enz. meenemen. We werden met verschillende families in de huizen ingedeeld. Ook mochten we een paar bediendes meenemen. Die konden ook boodschappen voor ons doen buiten het kamp.

Na een paar maanden mochten de bediendes er niet meer in. In het kamp kon je nog wel het één en ander kopen. Eerst werd er nog zelf gekookt, maar na een paar maanden moesten we een eigen kleine gaarkeuken runnen.

Op 28 februari 1944 werden we overgebracht naar het Halmaheira-kamp. We mochten meenemen wat we dragen konden. In dat kamp hadden eerst de mannen gezeten die bij de vitale bedrijven gewerkt hadden tot ze vervangen werden door Japanners. Mijn broer was daar ook heengebracht, toen hij -zestien jaar oud- bij ons uit Sompok werd weggehaald. (Later werden jongens al op hun negende bij de moeders weggehaald.)

Halmaheira was een wijkje waar klein-ambtenaren hadden gewoond. De huizen hadden drie grote kamers (3 bij 3 meter), twee kleine en een "goedang" (voorraadkamer) en een badkamer met "mandibak" en wc. We begonnen er met zeventien mensen per huis, maar er werden steeds meer vrouwen en kinderen aangevoerd, zodat we tenslotte met veertig mensen in een huis zaten. Wij hadden met z'n negenen een kamer. Mijn moeder en ik kop/staart op één matras. Idem een andere moeder en dochter. Eén vrouw met drie kinderen in een stapelbed en nog één vrouw op een matras. Onder die matrassen hadden we onze bezittingen in koffers.

Op een gegeven ogenblik kwam er een meisje van ongeveer twintig jaar terug in het kamp. Ze was met zeven anderen eerder weggehaald door de Jappen om zogenaamd in een restaurant te werken. Ze waren als hoeren gebruikt! Daar ben ik aan ontsnapt, want dit speelde toen ik nog op Sompok was en daar heeft Ota -de Japanse huishoudster van een Hollander- een stokje voor gestoken, hoorden we toen.

Uiteindelijk waren er 3200 vrouwen en kinderen in het kamp. Alleen de moeders van kleine kinderen en die kleintjes hoefden niet te werken. Verder was iedereen wel ingedeeld: naaisters (om spullen voor de Jappen te maken), veldwerksters (van de oogst ging het beste naar de Japanners), keukendienst enz.

Tweemaal daags was er appèl, opstellen per blok (zo waren we ingedeeld), de Jap kwam langs, we moesten in `t Japans ons nummer noemen, diep buigen en, als goed was, mochten we weer gaan.

Om het terrein was een schutting van "gedèk" (gevlochten bamboe). Na donker werd er "gegedèkt" (handel gedreven met de buitenwereld). Gevaarlijke bezigheid, want daar kreeg je een meer dan stevig pak rammel voor, een dag rechtop in de zon (of regen) staan, of zoiets. Voor Europese vrouwen onvoorstelbaar, maar de Japanse officieren ranselden hun minderen net zo.

De sanitaire situatie werd steeds nijpender: veertig bewoners per huis met één badkamer ("mandibak") en wc (geen spoelbak zoals wij hebben) in één ruimte en iedereen dysenterie! Er werden gemeenschappelijke wc's gebouwd (gat in de grond, plank (met gat erin) eroverheen). Binnen de kortste keren stroomden die ook over!

Als er iemand overleed (in de tropen: binnen 24 uur begraven), brachten we haar naar de poort. Vandaar werd ze verder vervoerd.

Ik zat in de nacht-kookploeg om het stijfselpap ontbijt te helpen koken in oude drums, die geregeld lek raakten. Grote vuren in de keuken. Vaak kregen we nat hout geleverd! Vroeg in de ochtend, als de pap bijna klaar was, maakte ik voor mijn moeder en mij een bakje koffie (we kregen zo of en toe wat gemalen koffie). Mijn moeder kwam door `t raam op de plank eronder. Eindelijk alleen met ons tweeën!

Het dagelijkse rantsoen was:

  • ontbijt: 1 pollepel stijfselpap;
  • middagmaal: 1 schuimspaan gekookte rijst, 1 pollepel "groentesoep";
  • 's avonds een zeer klef broodje (kwam van buiten 't kamp) van 10 x 15 x 2 cm.
Mijn moeder (1.70 m) woog uiteindelijk 38 kg en ik (1.78 m) 42 kg. We hadden geen borsten, billen en menstruatie meer. Moest ik mijn uiterste best doen mijn moeder in leven te houden? En als mijn vader en mijn broer er niet meer waren?

Naast het eten uit de keuken kregen we eerst geregeld, daarna steeds minder vaak, nog wat koffie, suiker enz. uitgedeeld. Toen ik eens bij de uitdeling van palmsuiker moest helpen, ging ik daarna met ongewassen handen naar ons huis. Daar waren tien kinderen, die ieder één vinger aflikten

Wij hadden geen stiekeme radio-berichten. Te riskant met zoveel kinderen. Maar we hadden kampgenote Hettie. Zij mocht de Japanners en die mochten haar. Zo hoorden we wel eens wat.

Op 15 augustus '45 kwam een klein vliegtuig met het roodlwitlblauw onder de vleugels geschilderd overgevlogen. Een paar dagen later hoorden we, dat we bevrijd waren. Er waren nog 2500 mensen van de 3200 kampbewoners over! Er brak een heel onrustige tijd aan met moordpartijen en andere ellende. Wij hadden er gelukkig weinig last van.

Uit het kamp werden wij eerst overgebracht naar de H.B.S. Bij ongeregeldheden een paar weken later kwamen de Jappen uit hun gevangenkamp om ons te beschermen tegen de rebelse Indonesiërs. Daarna naar een huis op Nieuw Tjandi, waar we weer zelf moesten koken (we kregen elke week een bepaald bedrag van de (R(elief) A(rmy) P(risoners) of W(ar) (and) I(nternees). In dat laatste huis kwam mijn vader weer "thuis". Toen hij 't voorerf opliep, zag mijn moeder hem komen en zei : "Wat ben jij oud geworden" (51 jaar).

Toen naar Holland. In Attaca (bij Suez) kregen we twee stel kleren en een deken (we hadden echt niets meer). We kwamen aan in Holland. We waren er niet welkom. Men had hier ook niet 't idée dat we iets ergs hadden meegemaakt. Wij hadden 't toch niet koud gehad! Er werd niet naar onze verhalen geluisterd. Ze realiseerden zich niet dat in Indië alle gezinnen uit elkaar gehaald waren. We zaten op elkaar gepakt, hadden geen bewegingsvrijheid en geen privacy, zo goed als geen medische verzorging.

Pas later hoorde ik dat ook de Indonesiërs veelal een heel slechte behandeling kregen van de Japanners.

Ons gezin is onbeschadigd door deze jaren heengekomen. Het duurde tot twee jaar na onze komst in Holland voor we ons hier thuis voelden. En nu ligt dat alweer meer dan 55 jaar achter ons.

Mw. C. Langhout
Amsterdam
 home    :     "gewone mensen"