Oorlogswinter in Apeldoorn

 

Mevrouw Voorhorst

En zo waren we dus in Apeldoorn terechtgekomen. Waarom we niet bij de familie Jonker mochten blijven, weet ik niet, maar we kregen onderdak aan de Tweede Wormenseweg. Het huisnummer weet ik niet meer en bovendien is het huis waar we woonden nu afgebroken.

We woonden bij Mevrouw Voorhorst. Dat was een oudere dame die nog echt op zijn oud-Veluws gekleed ging. Lange zwarte rokken en een heel mooie witte kanten muts op. Je zag wel meer vrouwen met zo'n muts, want in die tijd liepen overal in Nederland de mensen nog heel vaak in de klederdracht van de streek. Ze was weduwe en had twee zoons bij haar wonen, waarvan ik me er een, Willem, nog heel goed kan herinneren. Dat was een heel vrolijke man, die altijd schik met ons had. Hij werkte, geloof ik, bij de voedselvoorziening en daarom droeg hij altijd een rijbroek met 'kamassen'. Dat zijn leren beenkappen die boven hoge schoenen gedragen werden waardoor je net zoiets kreeg als een paar leren laarzen.

Je weet dat wij katholiek waren en in Arnhem gingen we natuurlijk naar de katholieke kerk en naar de katholieke school. Verder wist je dat er protestanten in de stad woonden en ook mensen die 'niets' waren. Maar in Apeldoorn was dat heel anders. Daar waren de mensen bijna allemaal protestant, vooral hervormd. En wij kwamen nu in een echt heel ouderwets protestants gezin. Dat vond ik maar gek hoor. Dat was toen ook heel anders als bij jullie thuis. De mensen gingen 's zondags twee keer naar de kerk en overal in huis hingen plankjes aan de muur waarop woorden uit de bijbel stonden. In de woonkamer stond een soort houten muziekstandaard, waarop een bijbel lag. Mevrouw Voorhorst zei altijd: 'Domie heeft gezegd'. Ik wist niet wie dat was en toen ik er mijn vader naar vroeg zei hij dat dat de dominee was. 

Het huisje van Mevrouw Voorhorst was niet zo groot, maar wij kregen toch de twee voorkamertjes. In de ene was onze 'huiskamer' en in de andere sliepen mijn vader en moeder. Ook Wim en ik moesten daar slapen. Natuurlijk gewoon op matrassen op de grond. Mijn oudste drie broers sliepen bij de buren, waar we ook een kamertje hadden. Koken mocht mijn moeder in de keuken, als Mevrouw Voorhorst klaar was.

In ons woonkamertje was een klein zijraampje waardoor je de straat kon afkijken. Nu was Mevrouw Voorhorst iemand die uren lang met een buurvrouw kon staan praten. Ik denk dat ze niet veel anders te doen had. Ik herinner me dat ze op een dag naar de stad ging om een boodschap (De oude Apeldoorners zeiden altijd: 'naar het dorp'.)

Maar toen mevrouw Voorhorst op straat kwam, ontmoette ze een buurvrouw en bleef daarmee  staan praten. Wij konden dat door ons zijraampje precies zien en hielden stiekem in de gaten hoe lang het gesprek duurde. Ook mijn moeder had er schik in. Misschien wel twee uur later was het gesprek afgelopen, maar toen was het te laat geworden om nog naar de stad te gaan. Terug in de keuken trof ze mijn moeder die haar heel gemeen vroeg of het gezellig was geweest in de stad. Wij hadden er allemaal veel plezier om dat ze vertelde dat het overal zo druk was geweest dat ze niet had kunnen slagen.

Op een gegeven moment was er geen elektriciteit meer. Dat kwam doordat de elektriciteitscentrale in Nijmegen stond en dat was al door de Amerikanen bevrijd. En die draaiden de knop om of hadden misschien ook wel te weinig steenkolen om stroom op te wekken. In ieder geval zaten wij, en natuurlijk alle andere mensen 's avonds in het donker. Ook de straatverlichting deed het niet meer. Om toch 's avonds iets te kunnen doen had mijn vader een carbid-lantaarn op de kop getikt. Carbid is een grijsachtige stof waar je een heel klein beetje water bij moest doen. Dan ontstond er een gas dat, als je dat aanstak, heel fel licht gaf. Die lantaarns waren toen overal te koop en waar de carbid vandaan kwam, dat weet ik niet. Overdag moest die lantaarn goed schoongemaakt worden want het gaatje waardoor het gas stroomde zat heel gauw verstopt.

Zoals in zoveel katholieke gezinnen werd 's avonds altijd de rozenkrans gebeden. Dan moesten we allemaal op de knieën voor een stoel zitten en een van mijn broers moest dan voorbidden. Dat vonden we natuurlijk helemaal niet leuk, dat gedreun van die weesgegroetjes. Nu hadden we maar één zo'n rozenkrans in huis en die werd natuurlijk gebruikt door degene die moest voorbidden. Nu heeft een rozenkrans 5 stukjes van tien kraaltjes. We noemen dat vijf tientjes. En bij iedere kraal werd een weesgegroetje gebeden en na ieder tientje een onzevader. Maar één van mijn broers was heel slim, die sloeg bij elk tientje twee kralen over, dan was hij veel vlugger klaar. Maar dat mocht mijn vader natuurlijk niet weten, dus dat was een geheimpje van ons broers onder elkaar. Na de rozenkrans volgden er nog wat gebeden. Maar het slot was altijd dat mijn moeder hard op zei: Maria, Koningin van de Vrede, bid voor ons. En dat was in die oorlogstijd misschien wel het belangrijkste gebedje. 

(Deel één)
 
naar deel 10
 home    :     "gewone mensen"