Oorlogswinter in Apeldoorn

 

Bombardementen

De maanden die we in Apeldoorn woonden herinner ik me vooral door een paar dingen die grote indruk op me maakten.

Wanneer we naar de stad wilden, liepen we de Tweede Wormenseweg uit en kwamen dan bij de Parallelweg die langs het spoor liep. Bij de Arnhemseweg moest je dan het spoor oversteken. Maar heel vaak zaten de spoorbomen dicht. Nu was er wel een voetgangerstunnel, maar die was om een of andere reden vaak afgesloten. Je moest dus wachten tot de spoorbomen weer opengingen. Na heel lang wachten kwam er dan wel eens een goederentrein langs, want reizigerstreinen liepen er niet meer. De spoorwegwachter moest de bomen met de hand bedienen en dat duurde altijd heel lang.

Op een morgen riep vader ons dat we gauw mee moesten want er was iets bijzonders te zien. Hij nam ons mee naar de Parallelweg en vandaar zagen we dat aan de andere kant een groot gebouw in brand stond. Dikke zwarte rookwolken stegen omhoog. Het was de verf- en inktfabriek van Talens aan de Molenstraat die 's nachts door de Engelsen was gebombardeerd met brandbommen. Alleen de bovenverdieping brandde uit. Toen ik later in Apeldoorn kwam wonen, zag ik dat de fabriek weer helemaal opgebouwd was.

Aan de Arnhemseweg stond destijds het Klein-Seminarie van het Aartsbisdom Utrecht. Dat moet ik je even uitleggen. Om pastoor te worden moet je eerst priester zijn. Als een jongen dacht dat hij dat wilde, ging hij met zijn twaalfde jaar naar een kostschool (internaat) waar hij een beetje afgezonderd van de rest van de wereld werd voorbereid op dit belangrijke ambt. Zes jaar lang zat hij op dit internaat en daar haalde hij inmiddels het gymnasium-diploma. Die kostschool noemden we het Klein-Seminarie. Na deze opleiding gingen de jongens naar het Groot-Seminarie waar ze werden opgeleid tot priester. Als ze ongeveer 24 jaar waren, werden ze door de bisschop priester gewijd. Aan de Arnhemseweg stond dus zo'n kostschool. Tijdens de oorlog moesten alle jongens daar weg, want de Duitsers wilden die mooie gebouwen gebruiken. Daar werden Duitse soldaten opgeleid tot chauffeur. Het complex werd dus als kazerne gebruikt.

Maar er moesten heel veel spullen van het seminarie worden verhuisd naar andere plaatsen, waar de jongens hun opleiding voortzetten. Mijn vader en broers hebben daar nog dagenlang geholpen om alles in te pakken. Op een gegeven moment bracht mijn vader een paar borden mee die waren blijven liggen. Die hebben we nog jarenlang gebruikt bij het boterham eten. En altijd wisten we: Die zijn nog van het seminarie.

Ik heb je al verteld dat we 's avonds altijd de rozenkrans moesten bidden. Ik was nog heel klein, pas zeven jaar, en ik hoefde niet zo lang op de knieën te zitten bidden, ik mocht dan ondertussen bij mijn moeder op schoot zitten, waar ik meestal bijna of helemaal in slaap viel. Maar ik weet nog heel goed dat, terwijl wij zaten te bidden, buiten het geronk klonk van de vliegtuigen die overvlogen op weg naar Duitsland. Die gingen daar steden bombarderen. En mijn moeder zei dan vaak: 'Ach, die arme mensen, laten we maar extra bidden voor alle mensen die vannacht dood gaan door de bommen'.

Soms hoorde je ook een heel gemeen gierend geluid dat juist de andere kant op ging. Dat was dan een V-2.  Dat was de afkorting van 'vergeldingswapen-2'. Dat was een raket die uit het oosten van Nederland werd afgevuurd in de richting van Engeland. Veel van die raketten kwamen niet aan, maar later heb ik gelezen dat ze in Londen ook veel schade hebben aangericht.

(Deel één)
 
naar deel 12
 home    :     "gewone mensen"