Oorlogswinter in De Achterhoek

Megchelen: Sneltingshof. Herbouwd in de jaren 1947-1948 naar het oorspronkelijke plan. Vroeger had de boerderij een rijkere uitstraling.
Megchelen: Sneltingshof

Vluchtelingen

Doordat wij bij een gezin woonden waar de jonge boer Jan heer en meester was, was de plaats van mijn ouders een heel andere geworden. Mijn moeder hoefde niet voor het eten te zorgen, mijn vader hoefde nergens te gaan werken. Dus staken zij de handen uit de mouwen en gingen op de boerderij aan het werk. Mijn moeder kon heel goed naaien en gelukkig was er een naaimachine, zodat zij hele dagen aan het werk kon blijven. Zij had dan ook helemaal geen zorgen over het gezin. Jan en Sientje waren eigenlijk onze ouders geworden, want zij waren de baas op de boerderij. Mijn moeder was niet helemaal gezond, zij had astma, een heel nare ziekte waar je het vreselijk benauwd van kunt krijgen. Maar een van mijn oudere broers heeft me later verteld dat zij al die maanden dat zij daar achter de naaimachine zat, daar nooit last van heeft gehad. Ook mijn vader werkte volop mee, maar hij werkte vooral als timmerman. Op een boerderij is altijd wel wat te maken of te repareren, dus Jan was al lang blij  dat er een goede timmerman aan het werk was. 

Nu heb ik je al verteld dat er in de benedenverdieping van het voorhuis een 'opkamer' was. Daaronder was een grote kelder met een tonvormig gewelf. Die kelder zat ongeveer 1,40 meter in de grond en zo’n vijftig centimeter erboven. Jan en mijn vader besloten dat dat een schuilkelder moest worden, want het was tenslotte oorlog en je wist maar nooit of er geen bombardement over het dorp zou komen. Aan de buitenkant van de gevel maakte mijn vader een bekisting. Op ongeveer 50 centimeter van de muur maakte hij van hout een muurtje en de ruimte tussen dat muurtje en de gevel werd opgevuld met zand en stenen, zodat er een extra beveiliging van de kelder ontstond. De kelder was wel 4 meter breed. Middenin maakte mijn vader van planken een paadje en aan weerszijden werd de ruimte opgevuld met stro, zodat daar mensen konden slapen. Achterin de kelder was een klein dwarsgedeelte, waar een toilet werd neergezet. Op die manier konden er in tijd van nood wel veertig mensen in de kelder schuilen. Je snapt dat hij met al dat werk een hele poos bezig was. Maar Jan en vader hadden het goed gezien, want begin april zou de schuilkelder heel goed van pas komen.

En na een lange dag van hard werken was er dan weer die stille avond onder de carbidlamp, met naaiende vrouwen en kaartende mannen.
In januari en februari bleef het streng winteren en ik herinner me dat ik het land zo mooi vond. Over al de landerijen en huizen lag een dik pak sneeuw, je zag de schoorstenen roken. Het hele landschap had iets heel intiems. Misschien doordat er helemaal geen verkeer was, was het ook een heel stil landschap. Je hoorde alleen het loeien van de koeien en het geschreeuw van de varkens, het hakken van het hout. Naar zo'n stil landschap kan ik een geweldig heimwee hebben, dat komt natuurlijk doordat ik dat als kind zo mooi heb gevonden.

Nu was het niet allemaal rozegeur en maneschijn, want vlak over de Duitse grens was in het dorpje Rees een kamp waar Nederlandse mannen waren ondergebracht, die voor de Duitsers moesten werken. Dat kamp was heel berucht, want de bewakers ranselden en sloegen de mannen wanneer ze naar hun zin niet hard genoeg werkten. Bovendien kregen ze daar heel slecht te eten. De mannen probeerden dan ook te ontsnappen. Dat lukte regelmatig en precies bij Megchelen wisten ze over de grens te komen.

Het eerste adres waar ze konden aankloppen was bij ons, bij Jan Essink dus. Die mannen kregen daar een goede maaltijd en als er nog ergens kleren waren, dan kregen ze ook wat warms om aan te trekken en dan werden ze 's avonds door andere mannen weer verder weggebracht, op weg naar huis. Maar die vluchtelingen zagen er vreselijk uit, heel mager, soms met grote wonden op armen, benen of hun rug. Ze liepen meestal in lompen, want al hun kleren waren kapot gegaan of stuk geslagen. Mijn moeder stuurde ons meestal naar bed als die mannen kwamen, maar ik heb ze toch regelmatig gezien. Ik herinner me dat een van die mannen vertelde dat ze heel blij waren als ze een lapje stof vonden, zo groot als een zakdoek, want dat konden ze dan weer onder hun kleren stoppen of een zakje van maken waar ze hun handen in konden warmen.

(Deel één)
 
naar deel 18
 home    :     "gewone mensen"