Terugkeer naar Arnhem

 

Naar huis

Langzamerhand kwam de dag dat we weer terug zouden gaan naar Arnhem. Mijn broer Theo had last van astma, net als mijn moeder. Hij kon ook niet goed tegen de lucht van een boerderij. Daar hangt natuurlijk altijd stof in de lucht van het hooi en stro en dat was heel slecht voor hem. Daarom werd hij op een gegeven moment ondergebracht bij een kennis van mijn vader in Duiven. Ik denk dat mijn vader hem heeft weggebracht op de fiets en dat hij toen gelijk doorgefietst is naar ons huis in Arnhem. Je mocht namelijk niet zomaar terugkeren naar de stad. Daarvoor moest je eerst een vergunning hebben. Tussen de papieren die ik van mijn vader geërfd heb, heb ik dat papiertje ook gevonden. Ik heb het nog steeds.

Het gemeentebestuur van Arnhem moest natuurlijk weten hoeveel mensen er weer in de stad terug waren, want er moest wel voor eten voor al die mensen gezorgd worden. Er waren natuurlijk nog helemaal geen winkels open en bovendien moest het bestuur weten waar al die mensen gingen wonen. Heel veel huizen waren verwoest en de eerste huizen die dan bezet werden, waren de huizen die in de oorlog door de Duitsers bewoond waren geweest of de huizen van de Joden die waren weggevoerd. 

Om weer naar Arnhem terug te gaan moest je ook vervoer hebben. Dus daar moest ook op gewacht worden. Begin augustus was het eindelijk zover. Met een open vrachtwagen gingen we terug. Natuurlijk zaten er ook andere mensen op die wagen. Dat kon ook gemakkelijk want veel spullen hadden wij niet meer. Wel hadden de trekwagen en het broodkistje de hele evacuatietijd overleefd. Die moesten dus mee op de vrachtwagen.

Ik herinner me dat het heel mooi weer was en dat was maar goed ook, want er was geen dak op de vrachtwagen. We reden langs Duiven, waar we Theo ophaalden en toen kwamen we bij de brug van Westervoort. Daar liggen of liever daar lagen naast elkaar twee bruggen over de IJssel. Een voor de trein en een voor de auto's. Maar die waren allebei verwoest. Maar voor de auto's hadden de Canadezen een zogenaamde Baileybrug gebouwd. Dat waren bruggen die het leger gebruikte om rivieren en kanalen over te steken als er geen andere brug in de buurt was. Over zo'n brug lag maar één rijstrook, dus dat duurde een poosje voordat je daar overheen was. Maar ik herinner me nog dat ik tijdens het wachten heel goed heb gekeken naar de opgeblazen spoorbrug. Die hing met een rare knik naar beneden in de rivier. Het zou nog wel een poosje duren eer er weer treinen naar Zevenaar konden rijden. 

Toen we eenmaal over de brug waren, kwamen we ook gauw in Arnhem. Hoe we door de stad gereden hebben, weet ik niet meer. Wel weet ik dat we ook andere mensen moesten thuisbrengen. Maar langzamerhand kwamen we op de Hoogkamp en terwijl we de Mesdaglaan inrijden zie ik ineens een vriendje terug. Ik riep hard zijn naam: Harry, Harry! En hij zwaaide gelukkig terug. 

En toen kwamen we bij ons huis. Of liever bij wat daar van over was. Er zat geen ruit meer in. Met planken had mijn vader de ramen dichtgemaakt, zodat het overal donker was. In de voorkamer stond alleen de boekenkast nog: helemaal heel. En het ledikant van mijn ouders. Veel meubels waren weggeroofd. Uit de keuken waren alle pannen en borden weg. Alleen een juskom stond er nog. Daar stond de jus nog in van acht maanden daarvoor. Helemaal beschimmeld.

Daarom hadden de rovers hem zeker laten staan. De ledikanten waren er nog, maar de matrassen waren allemaal weg. En vanuit de voortuin liep een gracht dwars door de straat. Daar hadden de Duitsers een anti-tankwal gemaakt. Een stevige muur zodat er geen tanks doorheen konden. Van zware bomen hadden ze twee muren gemaakt en daartussen was allerlei huisraad gesmeten. Daar vond mijn moeder haar mooie naaimachine terug. Dat wil zeggen, alleen het onderstel, de machine zelf was verdwenen. Die bomen kwamen van de Mesdaglaan, die ik alleen kende als een prachtige laan met hoge beukenbomen, maar die nu een kale vlakte was geworden. Ik kom er nog wel eens doorheen als ik naar mijn moeder ga, en nu, zesenvijftig jaar later zijn de beuken al weer aardig groot geworden. 

En in de tuin stond het konijnenhok nog, met de bakjes vol maïs, precies zoals we het acht maanden geleden hadden neergezet. De konijnen waren dus al gelijk door andere mensen meegenomen.  Alles bij elkaar was het dus een geweldige chaos. En niet alleen bij ons. Bij alle mensen was het zo.

Het grappige was dat jaren later mijn vader bij de buurman in de tuin kijkt, waar de buurvrouw wat meubels had buitengezet vanwege de schoonmaak. En daar ziet hij de toilettafel staan die bij zijn eigen slaapkamermeublement hoorde. En die kwam dus na een jaar of vijf pas weer thuis.

(Deel één)
 
naar deel 24
 home    :     "gewone mensen"