Terugkeer naar Arnhem

 

Terug naar school

Langzamerhand kom ik aan het einde van mijn verhaal. Want geleidelijk aan werd het leven weer normaal. Maar eerst moet ik je nog vertellen over een paar rare zaken die ik direct na de oorlog meemaakte. 

Ook in andere delen van het land hadden de mensen soms veel te lijden gehad van de oorlog, maar ondanks dat kwamen er allerlei acties die bedoeld waren om de Arnhemse burgers te helpen. Zo had je de "H.A.R.K." Wij noemden dat natuurlijk gewoon de "Hark". Die letters waren een afkorting van "Hulp Actie Rode Kruis". En ook was er "A.H.A.", "Amsterdam Helpt Arnhem".

Deze organisaties verzamelden goederen die aan de mensen in Arnhem werden uitgedeeld: matrassen, dekens, serviesgoed, vorken en lepels, pannen. Nou je kon het zo gek niet bedenken of ze hadden het wel.
Op bepaalde plaatsen in de stad waren uitdeellokalen ingericht en daar kon je iedere dag informeren of er iets van je gading was. Of misschien werd je daarvoor wel opgeroepen, dat weet ik niet meer. 

Zo kregen wij matrassen van de Hark, maar mijn moeder was daar een beetje vies van, want je wist nooit van wie die spullen afkomstig waren en misschien zat er wel ongedierte (luizen en vlooien) in. Dat had ze heel goed gezien want na een paar weken had het hele gezin een huidziekte die 'schurft' heette. Omdat we met zeven mensen waren kregen we van de dokter zeven grote potten met zalf en werden we een week lang iedere avond helemaal ingesmeerd met dat stinkende goedje.

Ik herinner me ook nog dat mijn moeder op een dag van de Hark thuis kwam met een tas vol bloemenvazen. Die had ze daar gekregen, want iets anders hadden ze die dag niet. Maar er was een heel mooi vaasje bij van oranje glas met een zwart randje. Dat heeft nog jarenlang in ons huis dienst gedaan. 

En iedere dag zagen we over de Amsterdamse weg weer vrachtauto's vol spullen komen. En boven de cabine hadden ze altijd een groot bord "Amsterdam Helpt Arnhem". Later zeiden de mensen in Arnhem wel eens: "In Amsterdam hebben ze ook grote schoonmaak gehouden", want je snapt natuurlijk wel dat de Amsterdammers niet de beste spullen weggaven en dat er veel rotzooi bij was. 

Over rotzooi gesproken: Ook de gemeentelijke vuilophaaldienst werkte aanvankelijk nog niet. Maar de mensen moesten wel de huizen schoonmaken en de rommel kwijt. Je had toen nog niet van die grote vuilcontainers die wij nu hebben. In ieder huis was een grote zinken emmer die twee keer per week moest worden leeggehaald. Maar in Arnhem waren natuurlijk geen vuilniswagens meer en dus kon het vuil ook niet worden opgehaald. De mensen gooiden alle rommel gewoon langs de kant van de straat, zodat daar één grote vuilnishoop ontstond. Dat was natuurlijk niet best, want de ratten liepen gewoon door de straat, die leefden daar in luilekkerland. 

Voor ons kinderen was dat natuurlijk ook heel interessant, want je kon er altijd iets vinden wat van je gading was. Wanneer we naar school gingen, kwamen we door de Gabriëlstraat en ook daar was over de hele lengte een vuilnishoop. Vooral mijn broer Joop was een echte snuffelaar. Op zekere dag  kwam hij thuis met een schrijfmachine, weliswaar kapot, maar je kon er nog van alles mee doen, al was het maar slopen. Een andere keer kwam hij zelfs thuis met een gouden ring. Die heeft mijn moeder nog tot haar dood in 1948 gedragen.

Maar langzamerhand werd alles weer een beetje gewoon. In september begonnen de scholen weer en ik kwam zomaar in de derde klas, terwijl ik nauwelijks les in de tweede had gehad. Maar dat gold natuurlijk voor alle kinderen. De Heilig-Hartschool aan de Bakenbergseweg was in de oorlog in beslag genomen geweest door de Duitsers. Die hadden er een veldhospitaal van gemaakt. Op het dak was een heel groot rood kruis geschilderd. Dat hadden alle ziekenhuizen. Dan konden de Engelse piloten zien waar de bommen niet mochten vallen. 

Maar na de oorlog bleef de school nog een poosje als ziekenhuis in gebruik omdat het Diaconessen Ziekenhuis dat daar vlakbij lag helemaal verwoest was. Maar tussen de school en de kerk stond "Ons Kleuterhuis". Daar had ik als kleuter nog op school gezeten. Daar kwam nu een aantal klassen van de lagere school in. Ik heb daar in de derde en vierde klas gezeten. 

Van de derde klas herinner ik me dat Meneer Kuhlmann ons op een middag het verhaal van Karel en Elegast vertelde. O, wat was dat spannend, we zaten te rillen in de bank toen hij vertelde dat de soldaten van Eggerik van Eggermonde allemaal een dolk onder de kleren hadden om een aanslag op Karel de Grote te plegen.

Of het nog in 1945 is geweest of al in het volgende jaar, weet ik niet meer, maar op een dag bezorgde de post bij ons twee heel grote pakketten.  De oudste broer van mijn vader was voor de oorlog al met zijn gezin naar Curaçao vertrokken. Hij was daar aannemer geworden en had veel geld verdiend. Direct na de oorlog stuurde hij brieven naar zijn broers; ze moesten maar vertellen waar ze het meest om verlegen zaten. Mijn tante zal de pakketten wel hebben samengesteld want de inhoud was heel erg praktisch. Zo zat er voor ieder van ons een paar nieuwe schoenen in, maar ook koffie en thee. In een apart pak zat een grote rol katoen, waar mijn moeder beddenlakens en slopen van kon naaien. En ook stuurden mijn oom en tante en paar fietsbanden. 

Helaas hadden we helemaal geen fiets. Geen nood, bij onze vrienden, de familie Migo, hadden ze wel een fiets, maar zonder banden. Met twee gezinnen deden we het dus met één fiets. Wie hem het hardste nodig had, mocht hem gebruiken. Dat leidde natuurlijk tot problemen. Ik weet nog dat ik ruzie kreeg met Tonnie Migo. Hij beweerde dat een fiets het meeste waard was en volgens mij waren dat juist de banden
.
Met die fiets bracht mijn vader mij vaak 's morgens in alle vroegte naar de Sylvahoeve op Schaarsbergen. Dat was een deftig bejaardenhuisje dat door nonnen werd geleid. Daar was ik misdienaartje geworden. De rector, een heel oude pastoor, deed 's morgens om zeven uur de Heilige Mis voor de nonnetjes en voor die oude mensen. Moet je nagaan, die zaten dus in alle vroegte al aangekleed in de kapel. Maar ze gingen 's avonds natuurlijk ook al vroeg slapen. Iedere morgen moest Wim of ik daar de mis dienen. Mijn vader bracht ons dan op de "twee-gezins-fiets" weg. Na de mis kregen we in de keuken van de keukenzuster altijd een bord pap en een boterham. Daarna liepen we weer naar huis om daarna weer naar school te lopen. 

Op een gegeven moment kreeg of kocht mijn vader zelf weer een fiets, maar voor de kinderen zou dat ongemak nog lang duren. Vooral voor Ton en Theo was dat heel lastig, want die zaten op de Mulo en dat was zeker een uur lopen. Voor Joop was het minder erg, want die was direct na de oorlog naar het Klein Seminarie gegaan. Die wilde pater worden en de opleiding daarvoor begon in Haastrecht, vlak bij Gouda. Daar is hij overigens maar een jaar geweest. Ik denk dat hij toen al genoeg had van het bidden, maar je herinnert je misschien nog hoe hij de rozenkrans een beetje vlugger kon voorbidden door steeds een stukje over te slaan. 

Dit is het einde van mijn jeugdverhaal. Was het een fijne jeugd? In mijn herinnering was het niet vervelend. We waren thuis arm, maar dat was iedereen, dus daar had je ook niet zo'n last van. Met de oorlog was het soms best spannend en ik denk dat de vijf dagen onder het kanonnenvuur een heel belangrijk litteken hebben achtergelaten. Natuurlijk waren er ook heel veel vervelende dingen, maar het aardige van herinneringen is juist dat je de fijne dingen meestal onthoudt en de nare dingen verdwijnen.

(Deel één)
 home    :     "gewone mensen"