De Hongerwinter in Amsterdam (1945)

Eten in een gaarkeuken tijdens de Hongerwinter (©!!!)

De Hongerwinter van 1945

Voor mensen met hart- en vaatziekten, diabetes, vetzucht en nog zo wat ziekten van een welvarende maatschappij, meestal de rijkeren dus, was die Hongerwinter eigenlijk wel een goede medicijn. Sommigen hadden daarna geen last meer van die kwalen. Maar de meesten leden honger, of stierven zelfs.

De boeren in Noord-Holland boven het Noordzeekanaal leverden in ruil voor waardevolle spullen of koffie en thee, zakken met graan en aardappelen en groenten zoals kool. Je moest daarvoor al gauw helemaal naar de Kop, voorbij Hoorn en Alkmaar. Hele gezinnen trokken met handkarren de pont over op weg naar voedsel. Barre tochten waren dat, want het was een strenge winter en veel warme kleren had men niet. De Duitsers wisten van de hongertochten en soms stonden er soldaten [1] bij de toegang tot de pont naar Amsterdam en dan kwamen de mensen na hun barre tocht terug met lege handen -de handkarren werden ook in belag genomen- thuis.

Sommigen kwamen helemaal niet terug. Op een dag kwamen twee kinderen vanuit het noorden bij de pont aan. Er stonden weer eens soldaten. Andere families met handkarren trokken zich haastig terug tot de wacht opgeheven zou zijn, desnoods tot s'avonds laat. Maar deze kinderen sloften door. De soldaten, blij met toch nog een vangst, tilden het zeildoek op: de kinderen waren met hun vader van huis gegaan, ze mochten ongehinderd door met hun handkar en het lijk dat erin lag.

In Heemskerk, zo vertelde men, was een groentekweker waar je per persoon een kilo groente mocht kopen. Van mijn stiefmoeder kreeg ik de opdracht een kilo te halen. Ik had een fiets met houten banden, geen handschoenen, ik kreeg twee dunne boterhammen mee en het vroor flink.

Hier moet even een lus in het verhaal: tegenover de suikerfabriek van Halfweg, over de Haarlemmervaart, kon je stiekem suikerbieten uit de grond trekken die thuis werden vermalen en gekookt tot er een afschuwelijk smakende brij ontstond, maar het was suikerhoudend voedsel. Wel, met die rotzooi waren helaas die boterhammen besmeerd, dus dat schraapte ik er onderweg zorgvuldig af.

Ik was nog niet op de oude Hemweg, toen mijn handen blauw werden en verschrikkelijk zeer deden. De pijn ging over: ze werden gevoelloos, en ik was nog niet op een kwart van de heenweg. Uit angst dat mijn handen zouden bevriezen ben ik omgedraaid. Met lege handen thuiskomen was er niet bij, maar wel zocht mijn (stief)moeder een paar oude lappen op, ik geloof  kapotte dassen die ik om mijn handen kon wikkelen. Ik was nog voor sluitingstijd bij de groentekweker en fietste in het donker met groente terug. Blame mijn stiefmoeder niet want ik kreeg een extra portie en het smaakte heerlijk, zelden heb ik zo lekker gegeten. En aan mijn handen mankeer ik nog steeds niets.
 

Hoe kwam je aan hout voor wat warmte en om te kunnen koken?

Dit zijn gelukkig wat grappiger verhaaltjes. Ik woonde vanaf 1943 bij mijn vader en zijn tweede vrouw in Amsterdam in de Bestevaerstraat. Mijn jongere stiefzusje en ik hoorden dat in de straat achter ons, de Lumeystraat, aan het eind een houten noodschooltje werd afgebroken door de buurtbewoners. Wij erheen! Iedereen sleepte al met lange planken en al gauw werden we door medestanders geholpen met het loswrikken van planken. Op weg naar huis met onze laatste buit -het schooltje was finaal weg- werd er geroepen: "Wegwezen!"

We waren pas halverwege de Lumeystraat. We belden aan de eerste deur aan die onmiddellijk openging en we veilig waren op de trap. Zo verging het alle houtsjouwers. De Duitse patrouille trof aan het eind van de straat slechts een plotseling braakliggend stukje grond aan.

Je kon ook houten blokjes tussen de tramrails vandaan bikken, die branden lekker want er zat veel teer aan. We gingen met een bijl gewapend naar de Krommerdt waar al veel mensen bezig waren. Zusje stond op wacht maar zag te laat dat er al een aantal mensen bijeengedreven was door soldaten. "Wegwezen!" riep men. Ik rende weg, achter me werd geschoten, ik denk in de lucht. Een deur ging open, ik werd naar binnen gesleurd en via de tuinen achter in veiligheid gesteld. De bijl was ik kwijt. Ik vind het nog steeds hartverwarmend te bedenken hoe mensen in tijden van nood niet alleen klaar staan voor elkaar maar ook onbaatzuchtig zijn.
 

Ank Fokma
Amsterdam
[1]
Vermoedelijk zijn "landwachters" bedoeld, leden van een korps van hulppolitie dat was samengesteld uit NSB-ers.
 home    :     "gewone mensen"