De Hongerwinter in Amsterdam (1945)

Eten in een gaarkeuken tijdens de Hongerwinter (©!!!)
Mijn herinneringen aan de laatste fase van de oorlog en de bevrijding staan diep in mijn geheugen. Ik ben geboren in 1936. Het is dus gemakkelijk uitrekenen dat ik voorvallen aanhaal die ik nog beleef.

Eerst maar iets over mijn tante Jippie die met oom Ger trouwde in 1945, vroeg in het bevrijdingsjaar. Ik was bruidsjonker. Het kerkelijk huwelijk vond plaats in de Nieuwe Kerk op de Dam, het burgerlijk huwelijk in het oude stadhuis. We werden gereden in koetsen met paarden. Dat kon dus kennelijk nog. Na het huwelijk in de kerk hebben wij uren in de consistorie doorgebracht omdat er geschoten werd vanuit de Groote Club op de hoek van de Kalverstraat. Het moet dus al tegen de vijfde mei gelopen hebben toen veel Amsterdammers dachten dat de oorlog voorbij was.[1] Overigens herinner ik me van die dag nóg een schietpartij. We waren al op weg naar de Dam, maar keerden op de Rozengracht om toen werd doorgegeven dat er geschoten werd.

Het moet goed weer geweest zijn tijdens de trouwerij, want op de foto's sta ik in mijn jonkers-pakje. Er stond wel een stevige wind. De bruidssluier wapperde flink. Dat veel Amsterdammers in die tijd optimistischer werden, bleek ook uit het geboortecijfer: 1946 was een topjaar.

We zaten ook midden in de Hongerwinter. Het eten was op. De hongertochten van mijn vader naar de Kop van Noord-Holland leverden weinig meer op, ook al omdat de linnenkast leeg raakte en er werd geruild. Het laatste was een blik met maïspitten of iets dergelijks. Dit bezit leverde nog een stevige ruzie op met mijn tante Riek, die een deel kwam opeisen. Vanuit mijn bed heb ik toen geroepen: "Rottante Riek". We woonden in Oud-West, in de Geuzenstraat. Hans Wiegel van de VVD is daar ook geboren.

Mijn opa woonde aan de Keizersgracht in een groot huis met kamers die hij verhuurde. Voor mijn vader was het te gevaarlijk geworden om wat eten te brengen. Overal waren razzia’s. Dus werd ik de boodschapper op mijn blauwe autoped. De route ging achter de Stadsschouwburg om door de kleine straatjes naar de Keizersgracht. Aan mijn stuur bungelde een zakje radijsjes.

Mijn moeder had een vriendin bij de Wiegbrug (tante Jopie). Haar man werkte op het abattoir als vleeskoper. Daardoor was er af en toe wel iets, maar ook dat ging voorbij. Het eindigde met een bord bruine chocolade in water tot een papje gemaakt. Aan de overkant  van het Geuzenplein was een bakker. De rij elke dag voor de deur was zeker een paar honderd meter lang. Ik heb wat in de rij gestaan. Die ervaring is zo hevig dat ik nog steeds moeite heb om aan een koud of warm buffet deel te nemen. Ik wil niet meer in de rij staan voor eten. Ook kan ik het niet aanzien als eten wordt weggegooid.

Met mijn opa ging ik af en toe naar de gaarkeuken aan het Amstelveld. Ik zie de dode man nog steeds op de stoep liggen. Hij had de troggen net niet gehaald. Overigens heb ik aan de gracht tijdens mijn autopedrace voor het eerst een schilderij van een gekruisigde Jezus gezien. Het stond in de etalage van een kunstwinkeltje. Daar kreeg ik koude rillingen van. Als ik de Matthäus Passion hoor denk ik aan dat moment.

Maar de bevrijding kwam toch. De houtblokjes langs de tramrails aan de Krommerdt waren toen allang weg. Opgestookt in noodkacheltjes. Wij hadden er ook één. Mijn vader heeft het ding na 5 mei direct weggegooid en de radio teruggehaald die in beslag was genomen. Het apparaat was er nog, in een pakhuis in het oostelijk havengebied.

De bevrijding kwam door de lucht. Zweden wierp voedsel af met wittebrood. De eerste hap in brood met boter proef ik nog. Ik heb de snee opgegeten op straat in een zandbak die was ontstaan omdat er jarenlang niets aan het plaveisel was gedaan. Er ontstonden ook putjes door gebroken stenen tegen de huizen aan. Die gebruikten we om te knikkeren.

Ook ontlaadde zich de woede. In onze straat woonde een Nederlandse politieman, die in dienst was gebleven en talloze buurtgenoten heeft gearresteerd, ook joodse mensen. We noemden hem "Poppesnor". Waarom weet ik niet meer. De hele straat stond te applaudisseren toen de man op zijn beurt werd gearresteerd, samen met mensen die collaboreerden. De tondeuse deed haar werk. Dat volkje werd kaal geschoren. 

Op het plein werd een triomfboog opgericht met podium. Volgens mij werden daar bloemen gelegd en stilteperiodes ingelast ter herdenking.

Het vreemde is dat ik mij de genoemde gebeurtenissen nog messcherp herinner, maar daaromheen weinig. De tijd had zijn loop. We gingen weer gewoon naar school en hoefden niet meer weg te duiken als er vliegtuigen overkwamen. De Britse luchtmacht is heel wat keren over onze wijk gevlogen en het geluid van een neerstortend vliegtuig ken ik ook.

Verder was er in die eerste jaren niets. Ik kreeg een oude fiets met houten blokken op de trappers. We oefenden in het Vondelpark.
 

Chris van Leeuwen
Huizen

Noot 1:
De schietpartij vanuit de Groote Club vond plaats op 7 mei 1945.
 home    :     "gewone mensen"