Een voedselexpeditie (1945)

Eten in een gaarkeuken tijdens de Hongerwinter (©!!!)

Tarwe, rogge en magere melkpoeder

Je kunt je bijna niet meer voor te stellen wat de hongerwinter voor de mensen in het westen van het land heeft betekend. Ik weet van mensen die twee kinderen op pad stuurden om in de buurt te gaan bedelen om voedsel en die 's avonds met één aardappel thuiskwamen. Kinderen stierven als ratten. Mijn vrouw Grietje en ik woonden destijds in Zwolle, maar mijn zus woonde in het door de honger getroffen Voorburg.

Mijn zwager had de beschikking over een oude vier-tons vrachtwagen. Die was bepaald niet in optimale conditie, het was eerder een afgejakkerd kreng met heel slechte banden. De vrachtwagen werd uiteraard "gestookt" met een zogenaamde gasgenerator, een soort kachel die achter de cabine was gemonteerd. 

Een zeer hoge Duitse officier had al enige tijd achter mijn zwager aangezeten en op een dag benaderde deze hem met het verzoek een lading voedsel in het noorden te gaan halen. Hij zou voor de benodigde papieren zorgen. Bovendien gaf hij mijn zwager een paar liter benzine mee om de wagen te starten. Als tegenprestatie vroeg hij een aantal kinderen mee te nemen naar de Veluwe. Voor zichzelf vroeg hij om een mud tarwe. 

Het was in januari 1945. Bitter koud en het hele land lag onder een dikke laag sneeuw.  De bedoeling was een tocht te maken naar Uithuizermeeden in het uiterste noorden van Groningen, waar mijn vrouw oorspronkelijk vandaan kwam. Op de heenweg deden ze Zwolle aan waar ze in het holst van de nacht bij ons aankwamen. Mijn zwager en een vriend, een ouderling van de Gereformeerde Kerk in Voorburg, vroegen mij met hun mee te gaan naar Groningen. Dat was een probleem, want mijn vrouw Grietje kon elk moment bevallen. Maar zij besliste dat ik mee moest.

Op pad dus. Bij Lichtmis, een buurtschap onder Staphorst, werden we aangehouden. Mijn broer Bertus, een centrale figuur in het ondergrondse verzet van Overijssel, had mij gelukkig een Ausweiss bezorgd met een z.g. droogstempel. Dat was geweldig belangrijk, want dat stempel hield in dat je onmisbaar was voor de Duitse voedselvoorziening. Daardoor kon ook ik deze controle ongehinderd passeren.

De reis verliep tamelijk voorspoedig. Eigenlijk was het een prachtige rit door dat fantastische sneeuwlandschap. Tot we in Bedum kwamen, ongeveer tien kilometer ten noorden van Groningen, nog ongeveer vijftien kilometer te gaan naar Uithuizermeeden. De wagen stopte en we kregen hem met geen mogelijkheid meer aan de praat. Van alles probeerden we om hem opnieuw te starten, maar niets lukte. Uiteindelijk stonden we daar met z’n drieën naast de wagen in de kou. Er bleef ons maar één ding over: de Heer zelf! Naast de wagen hebben we staan bidden: "Heer vergun ons dat het ons gegeven mag zijn deze taak te volbrengen…!" We klimmen in de cabine, mijn zwager draai de sleutel om en… de motor slaat aan! Wonderbaarlijk!

In Uithuizermeeden bevond zich de grootste meelfabriek van Nederland, die van Moorlag. Alle boeren waren verplicht naar dat bedrijf te leveren en vandaar uit werd het meel naar Duitsland afgevoerd. Maar de boeren hielden natuurlijk wel graan achter. Mijn schoonvader besliste dat hij wel een aantal boeren zou opbellen met de boodschap dat hij voor briefjes zou zorgen dat zij een bepaalde hoeveelheid geleverd hadden. Op die manier kwamen wij aan drie ton tarwe en rogge tegen de door de Duitsers vastgestelde prijs: vijftien cent voor een kilo tarwe en twaalf cent voor een kilo rogge.

Toen dat graan geladen was kwamen er mensen uit het dorp om ons pakjes mee te geven voor hun familieleden in het westen van het land. Daar was nog ruimte genoeg voor. Bovendien konden we een aantal mensen meenemen naar Assen, omdat we daar pas een ton magere melkpoeder zouden laden.

De terugweg ving aan, maar in het besneeuwde landschap verdwaalden we hopeloos. Toch kwamen we in de buurt van Groningen en daar opeens. een harde knal: een van de luchtbanden had het begeven. In die streek was echter de familie Post heel actief in het verzet, alle broers van de befaamde Johannes [1] waren hierbij betrokken. En dank zijn de relaties van mijn broer Bertus kwamen we met deze familie in contact en deze wist onze wagen weer gerepareerd te krijgen.

Diep in de nacht kwamen we uiteindelijk in Assen bij de melkfabriek aan waar we de melkpoeder moesten halen. De fabriek lag een eind van de grote weg. We klopten aan, maar er werd niet opengedaan. Een uur lang bleven we bellen en kloppen en eindelijk ging de deur op een kiertje open. De verklaring van de man die opendeed: "Na een uur weet je zeker dat het geen Duitsers zijn, want die slaan na vijf minuten de ramen in !"

De melkpoeder werd geladen en we kregen alle drie een liter melk te drinken en een pakje boter mee. Wat een kostbaar geschenk! De auto gestart. Niets! Nog eens geprobeerd, we kregen de auto niet aan de praat. Maar het vreemde was dat we nu helemaal niet aan bidden dachten. 

Ik besloot naar de grote weg te gaan om te zien of we iemand konden aanhouden die ons wilde opslepen. Na een poosje kwam er een jeep aan. Dat waren dus Duitse soldaten, want die jeep was in de zuidelijke provincies veroverd.[2] De soldaten waren welwillend en trokken de wagen op, de motor sloeg aan en we konden verder. De drie pakjes boter werden een geschenk voor de Duitse soldaten.

Om vijf uur in de nacht kwamen we aan op de markt van Assen. Dat was best gevaarlijk, want het was natuurlijk sperr-tijd. We zochten onderdak, maar een van ons moest bij de wagen blijven. Dat voorkwam niet dat in die nacht een groot aantal  pakjes voor de families in het westen gestolen werden.

De volgende dag reden we verder. Een verhaal apart is hoe we bij Hoogeveen verder werden geholpen door een verzetsgroep nadat de radiateur kapot was gegaan.

In Zwolle belandden we op een zojuist aangelegde rotonde. Omdat we de weg daar niet kenden reed mijn zwager deze verkeerd op en belandde aan de verkeerde kant van de weg in de hoge sneeuwwallen langs de weg. Weer waren we vastgelopen. En toch wilden we de wagen zien te stallen bij het meelpakhuis van Marsman.

Mijn zwager en ik slopen via achterweggetjes naar mijn huis in Zwolle. Voor mijn groentenzaak had ik een dubbele schrapmachine. Deze was op een gegeven moment opgeëist door de Organisation Todt [3]. Ik had hem echter geweigerd af te geven met als reden dat de machine kapot was. Daar hadden ze geen genoegen mee genomen en als compromis had ik met hen afgesproken dat zij iedere morgen om zeven uur bij mij mochten  komen om hun aardappelen te schrappen, maar voor de klanten in mijn winkel kwamen, moesten zij vertrokken zijn. Eigenlijk kun je dat best vergelijken met het verhaal van Willem Aantjes die ook een klein baantje voor de Duitsers aannam om een grotere zaak te redden…[4]

Via de man die iedere morgen kwam schillen, Keesje, een muzikant, raakte ik bekend met de secretaris van de Todt en deze  wist ons nu uit de brand te helpen. Hij stelde veertig mannen met touwen en een paard beschikbaar. En zo werd de wagen naar Marsman gesleept. Ook nu weer werd de wagen met behulp van een verzetsgroep rijklaar gemaakt.

Maar een nieuw probleem deed zich voor: onze papieren waren door al die vertragingen verlopen. En om nieuwe te krijgen moesten we naar de Zwolse garnizoenscommandant Steiger. Nota bene de beruchte Steiger. Samen met mijn zwager zouden we het erop wagen. Voor we heengingen gaf mijn broer Bertus me een envelop. Die moest ik maar aan Steiger geven en dan zou het wel in orde komen.

Ik gaf die envelop af en het gevolg was een stralende Steiger: "Aha, dasz sind die richtige Papiere!" Hij kon natuurlijk niet weten dat deze papieren door een lid van de verzetsbeweging op zijn eigen bureau waren gejat...

Op de vierde dag van expeditie passeerde mijn zwager met zijn vriend de IJsselbrug richting Hattem. Ik bleef in Zwolle achter, waar Grietje nog niet was bevallen.

Nadat de wagen bij Oldenbroek nog een keer door zijn achteras was gegaan, wat wederom door een plaatselijke verzetsgroep werd verholpen, bereikte het transport uiteindelijk Voorburg. De officier kreeg zijn mud tarwe. En wat eigenlijk heel wonderlijk was: ondanks de geweldige nood en de vreselijke honger werd er niets gestolen en kon het graan eerlijk verdeeld worden.

Leo Meijer
Zwolle

Johannes Post
Johannes Post (©!!!)
[1]
Johannes Post (1906-1944) was boer in Nieuwlande en wethouder van de gemeente Oosterhesselen. Gedreven door zijn gereformeerde geloofsovertuiging werkte hij in de oorlog onder meer als saboteur en voor het illegale blad Trouw. Later verhuisde hij naar Rijnsburg en leidde daarvandaan steeds grotere acties, zoals de overval op het postkantoor van Den Haag. Na de mislukte overval op de gevangenis van Amsterdam werd hij op 14 juli 1944 gearresteerd. Twee dagen later werd Post gefusilleerd te Overveen, waar hij begraven ligt.

[2]
De jeep was een Amerikaans vervoermiddel. Bij Nijmegen en Grave werden deze auto's buitgemaakt door de Duitsers.


[3]
De Organisation Todt was een soort militair gedrild arbeidsleger dat door de Duitsers werd ingezet voor het herstel van de schade die door bombardementen was toegebracht.

[4]
Tijdens de oorlog was Willem Aantjes gedwongen als postbode tewerk gesteld in Duitsland, waar hij in de problemen kwam na een ruzie met een Duitse magistraat. Om terug te kunnen keren naar Nederland, meldde hij zich aan bij Germaansche SS (een onderdeel van de NSB). Eenmaal terug werd hem echter opgedragen naar Rusland te gaan, wat hij weigerde, zodat hij werd gevangengezet in kamp Port Natal. Na de oorlog zweeg hij hierover, maakte carrière, werd fractievoorzitter van de ARP en later van het CDA. In 1978 stond hij, in tegenstelling tot politiek leider Dries van Agt, voor een linkse koers van de nieuwe partij en gold hij als de voornaamste van een groep van zes dissidenten binnen het CDA. Aantjes' reputatie werd onherstelbaar beschadigd toen de historicus Loe de Jong (ten onrechte) beweerde dat hij lid was geweest van de Duitse Waffen-SS en kamp Port Natal had bewaakt. De vooraanstaande politicus werd gedwongen af te treden.

 home    :     "gewone mensen"