Hoe Kuifje Nederland veroverde

(©!!!)

Een waarschuwing vooraf

Laat ik beginnen met te zeggen dat het hiernavolgende met het nodige voorbehoud moet worden gelezen. Van de eerste jaren weet ik alleen wat mijn ouders me erover verteld hebben. Dat was al weinig en dat weinige herinner ik me nog maar vaag. Bovendien begon het belang van Kuifje pas tegen mijn zestiende langzaam tot me door te dringen. Namen, jaartallen en gebeurtenissen vermeld ik naar beste weten, maar of het allemaal klopt, blijft de vraag. Mijn ouders zijn er niet meer om correcties aan te brengen en mijn geheugen, altijd al een duiventil, houdt nu helemaal niets meer vast. Enfin...
 

Kerkboeken

Mijn vader, Franke van de Weijer, is in 1918 in Rotterdam geboren. Hij had een administratieve functie in de levensmiddelendistributie, of zoiets. In 1947 solliciteerde hij naar de functie van vertegenwoordiger bij Uitgeverij Pessers, ik dacht in Tilburg. Het betekende zijn eerste kennismaking met Kuifje. Het was, laten we het maar op toeval houden, ook het jaar van mijn geboorte.

Pessers' hoofdbezigheid was het verspreiden van kerkboeken; ik heb er nog een paar van thuis. Maar inmiddels had hij nog een klein fondsje binnengesleept: de hardcovers van Kuifje. Kijk, en nu valt er al meteen een gat: Pessers ging failliet, maar ik weet niet in welk jaar. Vaag staat me ook iets bij van een brand in het bedrijf.

In elk geval betekende het dat Kuifje een ander onderkomen moest zoeken en dat werd uitgeverij-drukkerij Foreholte in Voorhout. Deze was eigendom van een broedercongregatie te Warmond. Door en door katholiek en dus in de ogen van uitgeverij Casterman geknipt voor de voogdij over hun held in Nederland. Mijn vader zat zonder werk, zag de toekomstmogelijkheden van de strip en besloot een gokje te wagen bij Foreholte. Hij maakte kennis met de toenmalige directeur, wiens naam ik mij herinner als broeder Genesius, met wie het direct schijnt te hebben geklikt want mijn vader was in die tijd ook geen heiden.
 

Veel plaatjes en vreemde teksten

Wij verhuisden van Tilburg naar het voor een vertegenwoordiger ideaal gesitueerde Utrecht. Mijn vader reisde heel Nederland af met het katholieke fonds van Foreholte en in de marge probeerde hij de Nederlandse boekhandel warm te maken voor Kuifje.

Dat laatste viel niet mee. De albums hadden immers twee grote nadelen: er stonden te veel plaatjes bij de tekst en die tekst was niet 100% zuiver Nederlands. Dat er geen normaal mens in voorkwam en dat Kuifje een pratende hond had, was ook al niet best. Maar ja, hier en daar moest een wat verlichtere geest wel toegeven dat Kuifje, als het om strips ging… nou ja… misschien toch een beetje een gunstige uitzondering was. En ach, geestig was het ook wel, als je het zo eens inkeek…vooruit, doe er maar twee.

Bovendien begon mijn vader de vertalingen te hooi en te gras wat meer te vernederlandsen. En zo, beetje bij beetje, kreeg Kuifje voet aan de grond. Vast stond, dat wie ze eenmaal had besteld, ze ook verkocht; en wie ze verkocht, wilde er meer. Het fonds breidde zich allengs uit. 
 

De geest is gewillig maar ...

Toen deed zich een onverwachte ontwikkeling voor. Broeder Genesius vertrouwde mijn vader in het diepste geheim toe dat hij een vrouw had leren kennen en erover dacht te trouwen. Dat betekende uittreden en het einde van zijn directeurschap. Franke leek hem de ideale opvolger.

Zo gebeurde het ook. Broeder Genesius werd mijnheer Van Balen, hij trouwde met haar, en samen kwamen ze nog regelmatig bij ons op bezoek als Oom Harry en Tante Mignon; ze brachten steevast een paar repen Van Dungen (met hazelnoot en rozijnen) voor ons mee, waar ik nog altijd gek op ben.

Het directeurschap noopte tot een nieuwe verhuizing. Naar Noordwijkerhout ditmaal, vlakbij Voorhout, waar een nieuwe wijk van rijtjeshuizen verrees, die door de autochtonen de 'Jambuurt' werd genoemd. Ik heb me toen nooit afgevraagd waarom; nu denk ik dat ze de bewoners van de wijk als arrogante import zagen, die hun boterham met dure jam besmeerden. Wij hadden een hoekhuis met een flinke garage, aan de rand van de duinen, waarachter overigens niet de zee lag, maar een onafzienbare rij bollenvelden.
 

Een bemoeial 

In 1960 gebeurde iets schokkends. De congregatie zat in haar maag met ene broeder Alfridus, die elders in de fout was gegaan. Wat te doen? dachten de broeders. Weet je wat, we zetten hem in Voorhout, naast Franke van de Weijer, daar kan hij geen kwaad. Maar dat kon hij wel, want hij wist van toeten noch blazen maar bemoeide zich overal mee.

Het duurde niet lang of mijn vader zei: 'Hij eruit of ik eruit'. En dus kregen we hem thuis ineens heel vaak te zien, wat geen onverdeeld genoegen was, omdat hij flink de pest in had over de gang van zaken. Hij begon zo links en rechts te solliciteren, maar enigszins halfhartig, want inmiddels was een groots plan bij hem gerijpt, dat hij had voorgelegd aan zijn contactman bij Casterman, de heer Pierre Servais.
 

Casterman in Nederland

Waar mijn vader vertegenwoordiger voor Casterman van Nederland was, was Servais het voor de wereld. Een beminnelijk man, met grote verdiensten, die het wel zag zitten. Wat mijn vader hem zei, was dat de potentie van Kuifje wel een zelfstandige vestiging van Casterman in Nederland rechtvaardigde – en wat het mooie was: hij wist daar een uitstekende directeur voor!

Servais kaartte het aan bij Louis-Robert Casterman en daarna begon het wachten, het eindeloze wachten. Want men ging in België niet over één nacht ijs: je dankte niet zomaar een uitgeverij af (Foreholte), je fourneerde niet zomaar een grote starterssubsidie aan iemand die zelf geen cent meer bezat en je nam niet zomaar het risico om een grote voorraad bij dezelfde man te plaatsen.

Het eerste bleek mee te vallen, want Foreholte had er na het vertrek van mijn vader meermalen blijk van gegeven het Kuifjefonds niet te kunnen beheren en punt twee en drie waren bij Pierre Servais in goede handen: hij stond namelijk voor hem in. Toch duurde het alles bijeen nog wel een half jaar voor de kogel door de kerk was. Al die tijd verkeerde ons gezin in angstige spanning en bleef mijn vader voor de zekerheid solliciteren zonder ooit definitief ja te zeggen.

In 1961 was het dan zo ver. De garage werd geheel leeggehaald en van houten stellingen voorzien door de timmerman die een paar huizen verder woonde. Er kwam een magazijnbediende, Arie, die helaas geen licht bleek. Toen mijn moeder op een woensdag een was deed en er iets misging, zodat de keuken blank kwam te staan, en hem vroeg: 'Heeft jouw moeder dat nu ook wel eens, Arie?', antwoordde hij: 'Mijn moeder wast nooit op woensdag.'

Mijn moeder typte de facturen op de salontafel en nam de telefoon aan; als er naar het magazijn gevraagd werd, verbond ze door met Arie en hoopte er het beste van. Als er naar de directie werd gevraagd en haar man zat toevallig thuis en naast haar, wachtte ze eerst een minuut alvorens hem de hoorn te overhandigen.

Vanaf het eerste jaar had mijn moeder de gewoonte om ergens in december, traditioneel een zeer lauwe maand in het hectische najaar, op een ochtendje een aantal grote klanten te bellen om nog wat flinke orders los te praten en de balans zodoende een nog wat florissanter aanzien te geven. Ik heb daar verschillende keren bij gezeten: mijn moeder was een zeer vrolijke, vlotte en geestige dame en ze wond ze om haar vinger, de centrale inkopers van V&D, de mannen van Bruna en AKO. Ik dacht dan wel bij mezelf dat dat in januari moest tegenvallen, omdat deze mannen nu zo in de bus hadden geblazen, maar dat viel op de een of andere manier altijd weer mee.
 

Een verhuizing

Het ging hard, temeer omdat de nieuwe vestiging van start was gegaan terwijl de omschakeling van hardcover naar softcover in volle gang was. De boeken waren een stuk goedkoper geworden en vlogen weg. Kwam er eerst een vrachtwagen vol voorraad per maand, al snel werden dat er twee, drie, vier. Niet  vergeten mag worden dat het fonds inmiddels ook was uitgebreid met Alex, de Koene Ridder en Pol. De garage kon het al lang niet meer aan, de gang van het woonhuis stond vol dozen en niet lang daarna ook de woonkamer. Er was een smal gangetje vrijgelaten van de salontafel naar de eettafel. Het werd te gek, er moest wat gebeuren. Een verhuizing misschien?

Inderdaad. Utrecht maar weer. Daar kocht Casterman België een monumentaal pand aan in het Oorsprongpark. Ruimte genoeg voor een flink kantoor, een groot magazijn (het hele souterrain), en voor het hele gezin, vijf koppen groot. En ook deze nieuwe start had de wind mee: in 1963 verscheen namelijk het nieuwe kuifjealbum, De Juwelen van Bianca Castafiore.

Maar het pand mocht dan monumentaal zijn, het straatje waaraan het lag was dat allerminst. Het liep krom, stond altijd vol met geparkeerde auto’s en de vrachtwagens die Kuifje bezorgden versperden iedereen de weg tot ze gelost waren,  wat uren duurde. Ik moest bij de grootste zendingen altijd mijn vrienden charteren om de dozen (tussen de 25 en 35 kilo) te helpen sjouwen, wat op steeds meer tegenzin stuitte.

Een probleem was dat in de zomer de klandizie aan de kust wegviel. De winkeliers hadden het eenvoudig te druk met toeristen om de vertegenwoordigers te woord te staan. Mijn vader bedacht daar het volgende op: hij maakte pakketten met series Alex, Pol en –vooral!– Kuifje, stapelde die in een forse open aanhangwagen (zeil eroverheen) en trok daar een paar dagen de kust mee langs.

Ik ben zelf ook diverse keren mee geweest, om de pakketten na te brengen die de winkeliers bij mijn vader hadden besteld. Ze hoefden geen lange verhalen aan te horen over de wonderen van het nieuwe fonds en de betrouwbaarheid van het oude; ze hoefden alleen maar zo- en zoveel pakketten te bestellen van series die ze geheid kwijtraakten. Mijn vader keerde altijd geheel uitverkocht huiswaarts.
 

Moeten trouwen en dan ...

Op den duur werd de situatie onhoudbaar, niet alleen vanwege de opstoppingen, maar ook omdat het souterrain niet op Kuifjes stijgende populariteit berekend bleek. In 1968 was immers nog Vlucht 714 verschenen, en het fonds Casterman breidde zich ook met en in andere series gestadig uit. Alleen had geen mens meer trek in een verhuizing, dus werd een extra opslagruimte gezocht – en gevonden in het souterrain van een singelpand.

Casterman kocht het hele pand aan en zocht een betrouwbare conciërge die de zaak in de gaten kon houden. Dat trof: mijn vriendin en ik zochten woonruimte en zijn allebei heel betrouwbaar. Louis-Robert eiste wel dat we daarvoor trouwden, dus dat deden we. Onze trouwkaart was getooid met afbeeldingen uit Kuifje en we stuurden Hergé er een toe. Er kwam een brief terug waarin hij ons hartelijk feliciteerde; wel moest hem van het hart dat hij er wat moeite mee had dat we niet eerst zijn toestemming hadden gevraagd.

Een aantal vrachtauto's reed nu linea recta naar ons adres om dozen te brengen, die ik door het raam van het souterrain aannam en stapelde – een kleine tegenprestatie voor de prachtige etage met 35 m diepe stadstuin die we ervoor in ruil kregen!

Maar het verhaal wordt eentonig: ook twee souterrains waren Kuifje te weinig. Temeer daar er een nieuw album aan zat te komen: Kuifje en de Picaro's. Er moest weer wat gebeuren en nu liefst iets definitiefs. Gedacht werd aan een grote hal met laadplatform, een groot plein waar de vrachtwagens konden draaien, een fors kantoor met aparte ruimten voor verschillende functies, een woonhuis met een tuin. Kortom, iets dat in de Randstad vele miljoenen zou kosten. Het werd dus nieuwbouw in Dronten. 
 

Een tragisch einde

In april 1975 trokken mijn ouders erin; de kinderen waren uitgevlogen. Maar de drukte, de stress en het harde werken eisten zo langzamerhand hun tol. Franke werd stiller, afweziger. De vakantie zou hem wel opfleuren. Hij wilde naar Pamplona, een stad en een gebied in Spanje waar hij vaak is geweest en dat hem om de een of andere reden na aan het hart lag.

Het was mijn moeder in de bergen al opgevallen dat mijn vader krankzinnig hard reed, alsof hij per se op tijd ergens moest zijn; ze stond af en toe doodsangsten uit. In het hotel aangekomen verfristen ze zich en gingen aan de maaltijd. Daarna zochten ze, doodmoe, het bed op. Een uur later stond hij weer op, ging voor het raam staan. Hij voelde zich niet zo lekker. Toen viel hij om en was dood. Negen augustus 1975.

Hij ligt bij zijn geliefde Pamplona begraven, op een heuvel met een prachtig uitzicht over de streek. Mijn vrouw en ik bleven na onze terugkomst uit Spanje bij mijn moeder in Dronten.

Niet lang daarna belde Pierre Servais: hij vond het verschrikkelijk er in deze omstandigheden over te moeten beginnen –de dood van Franke had hem erg aangegrepen en hij was al een paar maal langs geweest om mijn moeder te steunen– maar mijn vader  was precies halverwege de vertaling van De Picaro's geweest, dat in het weekblad Kuifje liep; konden mijn vrouw en ik het afmaken?

Dat hebben we uiteraard gedaan. We volgden beiden een opleiding aan het toenmalige Instituut voor Vertaalkunde in Amsterdam en hebben vervolgens het grootste deel van het vertaalwerk voor Casterman overgenomen. Tot 2002 zijn we voor deze uitgeverij blijven werken en nu doen we het voor Moulinsart. Alleen nog maar Kuifje dus.

René van de Weijer

(Een eerdere versie van dit artikel verscheen in het blad Duizend Bommen! van april 2004.)
 home    :     "gewone mensen"