Eerste Museumbezoek


De Waag
We schrijven niet zo lang na de oorlog. Een paar huizen naast ons woonde een meisje dat enkele klassen hoger zat dan ik. Adrie heette ze. Ze zal ook wel ouders gehad hebben, maar op mij maakte haar opa, die ook bij hen in huis woonde, de meeste indruk. Een lange, magere man, altijd in het zwart gekleed, zomer en winter een zwarte gleufhoed op z’n hoofd. Ik vond hem er een beetje slordig uitzien. Scheren deed hij zich blijkbaar maar twee keer in de week.

Op een vroege woensdagmiddag - we hadden dan vrij van school - kwam ik Adrie met haar opa op straat tegen. Adrie vroeg of ik met ze mee wilde, naar De Waag. Daar was ik nog nooit geweest en wat ik daar tegen zou komen kon ik ook niet vermoeden. Maar een uitje leek me leuk. Eerst aan m’n moeder vragen. Die kende Adrie wel van gezicht en het mocht.

We liepen langs een lange, vrijwel rechte straat naar de Dam. Er werd in die tijd veel gelopen. Tot zover kende ik de weg wel, maar daarna gingen we een veel smaller straatje in en een stukje langs een gracht. En daar was de Waag. Het leek wel een kasteel uit een sprookjesboek.

Spannend om daar naar binnen te gaan. Behalve een soort portier zag je binnen niemand. Overal hingen lange, grijswitte gordijnen, zodat je niet kon zien wat erachter was. We gingen een trap op en kwamen in de gildekamer van de metselaars. De opa van Adrie legde uit dat de metselaars hier vroeger betaald werden na een week lang werken. Dat was in de Middeleeuwen begonnen, dus dat paste in mijn gedachten wel bij dit kasteel. We gingen weer naar beneden en daar aangekomen trok ik zo’n lang gordijn een beetje opzij om erachter te kunnen kijken. Daar stond een enorm grote vent. Ik schrok me een ongeluk. Zo’n jongetje van zes of zeven jaar dat ik toen was tegenover een reus van wel zes meter. Ik liet het gordijn snel vallen en rende achter Adrie en haar opa aan, die al op weg naar buiten waren.

Onderweg terug vertelde opa dat we in het Historisch Museum waren geweest en dat we later nog maar eens terug moesten gaan, omdat vanwege de oorlog, die nog maar net voorbij was, alles nog ingepakt stond. Ik vroeg naar die grote man en kreeg te horen dat dit nu Goliath was, die door David was verslagen. Dat was dus dat.

Bij huis gekomen begon opa over een vuurspuwende berg. De Vesuvius. En dat die lang geleden uitgebarsten was. In de buurt van die berg was een stadje, Pompeii, waar de kinderen op school net gymnastiekles hadden toen de Vesuvius vuur begon te spuwen. Er was meisje dat hoog in de ringen zat en door het raam van het gymnastieklokaal de uitbarsting als eerste zag. Daardoor kon ze de mensen waarschuwen, van wie de meesten het er levend afbrachten, ondanks de hitte, de asregens en het vuur.

Ik kon het me wel voorstellen. Bij ons op school had je ook ramen van het gymnastieklokaal waardoor je naar buiten kon kijken. En dat wist die opa natuurlijk ook donders goed.

Zo is het dus begonnen, mijn belangstelling voor musea en geschiedenis. En voor wat daarvoor geweest is natuurlijk. Ik ben teruggegaan tot zo’n vijf miljoen jaar geleden: Australopithecus, Lucy. Van de oerknal begrijp ik eigenlijk niks, maar ik geloof er wel in.

Met m’n moeder op zondagmiddag naar een museum, als er geen voetbalwedstrijd in de buurt werd gespeeld, want daar ging ik dan met m’n vader heen. Op de lagere school maar weinig museumbezoek. Het Museum van de Arbeid, het Veiligheidsmuseum en een tentoonstelling waarvan me vooral is bijgebleven dat het er sterk naar linoleum rook. Maar er was ook literatuur: verplicht was de aanschaf (f 0,15) van Ons Geschiedenisboekje door F. den Eerzamen. 24 bladzijden met jaartallen en een korte beschrijving van wat er toen gebeurd was. Het eindigde met 1947 en begon met: “De vroegste bewoners hebben de hunebedden in Drente gemaakt. Later kwamen de Kelten, die hun doden verbrandden en de as in urnen begroeven. Het Stenen Tijdperk.” De jaartallen leerden we uit het hoofd en sommige zitten er nog in.

In die tijd moet ik ook Waterwilg gelezen hebben. Een spannend jongensboek over een opgroeiende knaap die tot een stam van de Hunebedbouwers behoorde. Ik was het kwijt en antiquaren kenden het niet. Maar via www.antiqbook.nl  kwam ik iemand op het spoor die vertelde dat hij een exemplaar bezat. Het bestond dus wel degelijk. En dezelfde man kocht enige maanden later een tweede exemplaar dat hij mij opstuurde. Ik ben het opnieuw gaan lezen en ik werd weer ontroerd door de avonturen die de jonge Waterwilg beleefde.

Het middelbaar onderwijs kreeg ik op de H.B.S. De wetgever had voor dat schooltype kennis van de Oudheid niet zo nodig gevonden, maar daar trok de lerares geschiedenis zich weinig van aan. De eerste les begon ze met een uitvoerig dictaat van HomerusIlias. En ze deelde plaatjes uit van Egyptische en Mesopotamische vondsten, die we in een schrift plakten. De talen kregen op die school heel veel aandacht, met als hoogtepunt de Nederlandse literatuur. Maar naast de wis-, natuur- en scheikunde en biologie, waren er ook vakken als gymnastiek, boekhouden, lijntekenen, tekenen en kunstbeschouwing. Voor dat laatste vak waren we verplicht een toegangskaart voor een jaar voor het Stedelijk Museum aan te schaffen. En zo zag ik voor het eerst Chagall, Matisse, Klee, Breitner en ook Appel, een stukje hout met een spijker erin, het geheel vrolijk opgeschilderd. Ik denk nog steeds dat die schilder zaliger ernstig over het paard is getild. Niettemin, m’n verdere leven in Amsterdam hield in, dat ik, als ik in de buurt was, een half uurtje bij het Stedelijk naar binnen ging met de museumjaarkaart. Oude bekenden begroeten.

De tekenleraar dirigeerde ons - het was 1956 - ook naar de tentoonstelling ter herdenking van de geboortedag van Rembrandt, 350 jaar geleden. Ik zag dat Rembrandt geen paard kon schilderen, maar verder was ik erg onder de indruk van het licht en donker. En ik werd verliefd op “Saskia als Flora”. Ik meende dat ik die pracht wel meteen voor het laatst gezien had. Nu zijn er in de loop der jaren wel drie maal bij gekomen. Saskia reist veel en ik ook eigenlijk wel.

Het Rijksmuseum voor Oudheden moet ik begin jaren zestig voor het eerst bezocht hebben. Indrukwekkend vond ik toen de Egyptische opstelling in een wel twintig meter brede etalage die in chronologische volgorde talloze objecten liet zien. We vinden dat het tegenwoordig niet meer zo moet, maar soms heb ik wel enige heimwee naar die methode. Zo was ik een beetje teleurgesteld dat het prachtige Romeins wijnservies voorwerp voor voorwerp in een eigen vitrine stond in plaats van als theaterdecor samengevoegd, zoals de voorpublicaties ons hadden laten zien.

En sindsdien betekent een reisje altijd een bezoek aan het locale museum en lezen daarover, ervoor en erna. Cursussen en lezingen brengen steeds veel nieuwe informatie en doen de lust tot kijken ter plaatse weer gloeien. Zo kan een museumbezoek met een oudere, enthousiaste begeleider voor een kind betekenen dat de belangstelling voor museumbezoek levenslang wordt gewekt. Het op rituele wijze door museumzalen jagen van hele klassen schoolkinderen, tegenwoordig educatie genoemd, zal daaraan weinig bijdragen.

Henk Ras
 home    :     "gewone mensen"