Voorbereidingen voor de HSL (2000)

(©!!!)
Voordat de betonstorters, de bulldozers en de zandwagens naar Bagven kwamen, kwamen de mannen die her en der piketten in de grond sloegen om het onteigende territorium af te bakenen. En voordat de mannen met de piketten kwamen, kwamen wij, de archeologen. Maar voordat wij kwamen waren de voorlichters en juristen al langs geweest. De voorlichters die de plaatselijke bewoners duidelijk hadden gemaakt dat er een spoorlijn en op- en afritten door hun akkers en weilanden zouden komen en dat daar niets meer aan gedaan kon worden. Juristen die hen vervolgens lieten kennismaken met onteigening van overheidswege.

Wie nu naar Bagven gaat, wordt links en rechts, voor en achter, boven en onder omringd door snelwegen en spoor: de A16, de A58, verbindingsbogen tussen die twee, viaducten daar overheen en tenslotte de HSL. Pardon: de HSL-Zuid. Niets ligt bij voorlichters gevoeliger dan de juiste naam. 

In de tijd dat wij er waren, was dat nog niet zo. Bagven lag in de oksel van de A16 en een drukke provinciale weg. Het waren akkertjes en weilanden, een rijtje populieren, een kleine bosschage met een paar losse boerderijen en schuren. Daar deden de archeologen hun werk. Terwijl de torenvalk biddend boven een nietsvermoedende muis in de berm hing, waren archeologen met een handboor op zoek naar aanwijzingen voor vroegere bewoning. We vielen nauwelijks op, het had net zo goed aardappels poten kunnen zijn. Maar de boeren kenden ons niet, zij wisten dat wij de voorboden waren van wat komen zou. Toch werden we altijd benaderd met welwillendheid.

Zelfs door die ene boerin die tegen einde werktijd haar Ierse Setter uitliet op het enige asfaltpad dat Bagven doorkruiste. Wij kenden de routine inmiddels. Nee, wij waren archeologen, geen geologen. Nee, wij wisten niets van dinosauriërs af, wel van de geschiedenis van de mens. Ja, er hadden hier al héél vroeger mensen gewoond, in de ijstijd al. Dat was wel tienduizend jaar geleden. Ja, het was wel jammer dat zo'n HSL alle sporen van onze voorouders vernietigde. Ja, daar waren wij voor! 

Ze beaamde dat het leven er niet gemakkelijker op werd. Dat gold niet  zozeer de teloorgang van het bodemarchief, nee eerder het feit dat ze nu al voor de tweede keer 'weduwvrouke' was geworden. Haar eerste man was tien jaar geleden overleden aan kanker. Niet lang daarna was ze haar tweede man tegengekomen. Een boer hier op Bagven. Een hele fijne man. Een rustige man en een harde werker. Maar toen waren de voorlichters gekomen. Die hadden verteld over het spoor van Amsterdam naar Parijs, over tracébesluiten en onteigeningswetten.

Hij was vaker gaan wandelen en zijn wandelingen duurden steeds langer. Toen zij vroeg wat er aan de hand was, antwoordde hij dat ze misschien moesten verhuizen. 
   'Het huis uit?' had ze gevraagd.
   'Misschien,' had hij gezegd, 'maar niet zolang het aan mij ligt. Als het aan mij ligt, kunnen wij hier altijd blijven wonen.'

Daarna waren de juristen gekomen. Een man in een luxewagen en een keurige juffrouw in een mantelpakje die netjes een hand gaven en met twee woorden spraken. Zij had nog koffie gezet. 's Avonds had hij een stuk touw gepakt en gedaan wat een man in wanhoop met een stuk touw doet.
   'Daar,' wees ze, 'in die schuur, aan één van de balken.' Ze had hem 
zelf gevonden.

Wij betuigden ons medeleven, namen beleefd afscheid, gaven een hand en spraken met twee woorden. 

Richard Kroes 
De Brakke Grond, 8 oktober 2003
 home    :     "gewone mensen"