De invoering van de euro (2002)

Monument voor de euro in Frankfurt am Main. Foto Jona Lendering. De wereld is een gevangenis en Nederland is een van de ergste cellen. Alles draait er om geld en hoewel ik niet zal ontkennen dat het handig is daarvan wat achter de hand te hebben, wordt een cultuur daarmee wel erg vlak. Los daarvan stoor ik me verschrikkelijk aan de eeuwige Hollandse compromissen, waardoor knopen nooit worden doorgehakt en reële conflicten eindeloos doorsluimeren zonder te worden opgelost. De gezapigheid, de zelfvoldaanheid, het materialisme: Nederlanders zijn als vretende motten in een klerenkast, en ik ben, diep in mijn hart, helaas een van hen. Aan het eeuwige vaderlands geklaag & gemopper doe ik althans enthousiast mee.

Toch lijkt het me geen groot verlies voor de Europese cultuur als de dijken worden doorgestoken en Nederland wordt verzwolgen. Elke geliquideerde staat is een bron van internationale spanningen minder. Sowieso vraag ik me af waarom staten moeten bestaan, aangezien al vanaf de zestiende eeuw de voornaamste prikkel voor het opbouwen van het staatsapparaat is geweest dat de middelen om oorlog te voeren daarmee efficiënter konden worden verzameld.

Ik kan me niet herinneren dat ik er ooit anders over heb gedacht en ik weet niet beter of ik ben altijd een warm voorstander geweest van de Europese gedachte. We leven in West-Europa nu al bijna zestig jaar in betrekkelijke vrede en grote welvaart, en ik zou mijn Nederlandse paspoort graag inruilen voor een minder chauvinistisch reisdocument.

Mijn europeanisme is bestand gebleken tegen een lange reeks teleurstellingen. Ik weet het, "Brussel" wordt nauwelijks democratisch gecontroleerd; corruptieschandalen lijken aan de orde van de dag; en de eenwording gaat verschrikkelijk langzaam. Van de Europese Partij waarvan ik ooit lid ben geworden, heb ik nooit meer vernomen. Daar staat het hele simpele feit tegenover dat op supranationaal niveau besluiten worden genomen die nationale overheden niet aandurven. Ik denk aan het verbod op nachtvluchten: "Den Haag" pakte, net als andere nationale regeringen, de geluidsoverlast van de grote luchthavens niet aan uit angst dat de luchtvaartmaatschappijen zouden uitwijken naar een ander land. Dankzij de Europese commissie is dat nu beter geregeld. Vrijheid van meningsuiting was in Nederland geen grondrecht tot dat land het Europees verdrag van rechten van de mens tekende. Europees overleg is geen panacee voor alle kwalen, maar kan wel degelijk nuttig zijn.

De invoering van de gemeenschappelijke munt, fantasieloos euro genaamd omdat politici écu te Frans vonden klinken, was een belangrijke stap op weg naar de eenwording van de oude wereld. Niet dat iemand erop zat te wachten - zeker de bankiers niet. Het besluit over te schakelen op één munt was zuiver politiek: de twee Duitslanden wilden zich na 1989 verenigen, en Frankrijk, dat begreep politiek en economisch overvleugeld te zullen worden, eiste controle over de Duitse mark. Het was een dappere uitruil en alleen al hierom verdienen Kohl en Mitterand een standbeeld. Wie er meer over wil weten, moet The Road to European Monetary Union van André Szász maar lezen.

In de loop van 2001 merkte je in Nederland dat de munt eraan kwam. De munten waren al eerder aan elkaar geklonken en internationale transacties werden al in euro's uitgedrukt. In een land als Italië vermeldden alle kassabonnetjes de prijzen al in twee valuta. Nederland liep wat achter, maar in de zomer zag je ook daar prijzen in twee muntsoorten. Ik herinner me nog goed dat ik er voor het eerst mee werd geconfronteerd toen ik op het Centraal Station van Den Haag een broodje wilde afrekenen. Het viel me tevens op dat de prijzen naar boven waren afgerond, naar een mooi rond bedrag in euro's.

Van verschillende mensen weet ik dat ze in 2001 elke avond even in hun portemonnee keken om te zien wat er aan Nederlands geld in zat. Het doel van deze exercitie was van elk naoorlogs jaar een cent, stuiver, dubbeltje, kwartje, gulden, rijksdaalder en eventueel vijfje te verzamelen. Er moeten in Nederland honderden van dat soort potjes met oud geld staan.

In de laatste drie maanden van het jaar vernam je steeds meer over de nieuwe munt. De Nederlandse overheid voerde onder de leuze "de euro wordt van ons allemaal" een uitgebreide voorlichtingscampagne, en je hoorde er meer dan eens over praten. Mijn vriend Richard kwam op het geestige idee met een paar mensen te gaan registreren hoe snel "buitenlandse" munten zich door verschillende Europese landen verspreidden. Het plan kwam niet verder dan een met veel drank overgoten diner met enkele Ierse computerdeskundigen - ook een vorm van Europese samenwerking. Het enthousiasme voor het initiatief verminderde vrij snel toen de Studiegroep Wiskunde met de industrie een website opende waarin de "eurodiffusie" zou worden bijgehouden.

In december konden we bij het postkantoor onze eurokitjes ophalen: een in donkerrood plastic verpakt setje euromunten - van elke soort één. Zo konden we alvast wennen aan het nieuwe geld. Ik nam tegelijk voor vijftig gulden aan kleingeld op, dat ik na de jaarwisseling in Italië wilde uitgeven. Toen ik het eenmaal in handen kreeg in het postkantoor aan de Amsterdamse Herengracht, kon ik het niet echt mooi vinden. Het stoorde me bovendien een beetje dat de Nederlandse koningin erop stond, hoewel Beatrix zelf in 1992 in Maastricht had verklaard dat wat haar betreft haar portret niet op de toekomstige eenheidsmunt zou staan.

In dezelfde tijd als het uitdelen van de eurokitjes vonden twee grote collectes plaats waarbij oud buitenlands geld werd opgehaald. Vrijwel elk huishouden bezat destijds een potje met van eerdere buitenlandse reizen overgehouden muntgeld, en dat werd nu verzameld. De opbrengst van beide inzamelingen zou naar een reeks goede doelen gaan. Vanzelfsprekend kregen de deelnemende partijen later ruzie over de verdeling van de opbrengst. Het waren tenslotte Nederlandse organisaties.

Eind december stortte ik mijn laatste buitenlandse geld in een grote, doorzichtige collectebus in de videotheek op de hoek, en meteen daarna stapte ik op de tram naar het station, want ik ging op reis. Ik schreef toen aan een boek over het antieke Rome, en zou de invoering van de euro meemaken in Italië. In een prachtig besneeuwd Munchen nam ik ook afscheid van mijn laatste marken.

Ik reisde door naar Verona, waar ik op een prachtige zonnige winterochtend het archeologisch museum bezocht. Toen ik mijn kaartje kocht zag ik dat het personeel voorovergebogen zat over een grote hoeveelheid euromuntjes, die uitgespreid lagen over de toonbank. Ze zagen ze voor het eerst, en ook voor mij was het de eerste kennismaking met de Italiaanse variant van het nieuwe geld: de dichter Dante, Leonardo's Uomo vitruviano, het standbeeld van Marcus Aurelius, een futuristisch beeld van Boccioni, de Venus van Boticelli, het Colosseum, de Synagoge van Turijn en het Castel del Monte van de Duitse keizer Frederik II. Eerst dacht ik nog dat het stuk voor stuk nationale symbolen waren die tevens konden worden beschouwd als uitingen van de ene Europese cultuur, maar later bedacht ik dat het in Italië eigenlijk onmogelijk is iets te vinden dat niet voldoet aan deze beschrijving. Gezegend land.

De jaarwisseling maakte ik mee in Ostia Antica, waar ik een huisje had gehuurd. Op 1 januari waren alle winkels gesloten, maar ik kon mijn eerste eurotransactie verrichten in Bar Gregoriopoli. Het meisje achter de bar, Laura, keek lang naar de demonstratief met de kop boven gelegde muntjes en zag dat het vreemd geld was. "La regina Beatrice", legde ik uit. Dat kon ik de komende dagen nog vaker zeggen, want ik had voor bijna 27 euro aan Nederlandse munten bij me. De meeste daarvan gingen naar de supermarkt naast mijn huisje en ik heb gewacht op de dag dat ik in mijn wisselgeld een Nederlands muntje zou vinden, maar zover kwam het niet. Waarschijnlijk was het geld allang door een verzamelaar uit Ostia uit de roulatie gehaald. Zelf legde ik elke avond de Italiaanse muntjes opzij, en die heb ik later in Amsterdam in omloop gebracht. Geen moeite was me te veel om de diffusie van het nieuwe geld te bespoedigen: overal betaalde ik met papiergeld, om het aantal munten in mijn wisselgeld zo hoog mogelijk te krijgen. (Niet elke geldautomaat zou, zo werd beweerd, voldoende papiergeld hebben in de eerste dagen. Ik heb daar nergens iets van gemerkt.)

De eerste niet-Nederlandse en niet-Italiaanse euro kreeg ik op 2 januari in handen. Het Duitse muntje zat bij het wisselgeld op het kaartje dat ik kocht voor de Thermen van Caracalla. Toen ik enkele dagen later naar Amsterdam terugkeerde, viel me op dat ik in Basel met euro's kon afrekenen (hoewel Zwitserland niet deelnam aan de nieuwe munt). In Keulen kreeg ik mijn eerste Belgische en Ierse munten in handen, en in Duisburg de eerste Nederlandse.

In de weken daarna kwam de grote deceptie. Het bedrijfsleven, dat al een half jaar eerder was begonnen de prijzen te verhogen, ging er in januari vrolijk mee door. Misschien was dat nog acceptabel geweest, maar het ministerie van financiën ontkende glashard wat iedereen in het café zelf kon vaststellen. Ik heb verschillende anders zeer gezagsgetrouwe mensen horen zeggen dat dit hun vertrouwen in de overheid ernstig heeft geschaad, en ik houd er een onverifieerbare privétheorie op na dat onvrede over de ontkenning van de euro-inflatie een factor is geweest bij de gelijktijdige opkomst van Pim Fortuyn.

Er was op de eurodiffusiewebsite voorspeld dat Nederlanders na ongeveer een jaar ongeveer evenveel buitenlandse als Nederlandse munten in hun portemonnee zouden hebben. Dat bleek tegen te vallen: het ging veel langzamer. Misschien was dat omdat verzamelaars de buitenlandse krenten uit de monetaire pap visten. Na een jaar stopte de website; enkele vrijwilligers zetten haar in 2003 voort, en registreerden dat de feitelijke doorbraak plaatsvond in de zomer van dat jaar. Het is nu oktober 2003, en ik heb nu, in de tweeëntwintigste maand van de euro, soms voor de helft aan buitenlandse munten op zak.

De hamvraag is natuurlijk of de euro ons meer Europeaan heeft gemaakt. Jazeker. Door omstandigheden reisde ik in 2002 en 2003 vrij veel, en de gemeenschappelijke munt bleek enorm gemakkelijk. Bezoekjes aan niet-eurolanden als Denemarken, Engeland en Turkije brachten het ongemak van buitenlands geld levendig in herinnering. Van de andere kant moet ik zeggen dat ik, als ik wil weten of iets duur is of niet, nog steeds bedragen omreken naar guldens. En inderdaad, ook dit stukje gaat weer over geld. Ik ben dus, godbeter't, een echte Nederlander gebleven en nog steeds geen Europeaan.

Jona Lendering
Amsterdam
 home    :     "gewone mensen"