| home | ||
Zoroastriërs en christenen |
||
![]() |
Op 1 december
2006 verschijnt bij Athenaeum - Polak & Van Gennep mijn boek Oorlogsmist.
Veldslagen en propaganda uit de Oudheid. Hierbij een voorproefje.
De verplaatsingen van II Parthica tonen hoe het Romeinse Rijk in de derde eeuw van militaire crisis naar militaire crisis wankelde. In 231-233 vergezelde het legioen keizer Severus Alexander naar Syrië om oorlog te voeren tegen het nieuwe Perzische Rijk van de Sassanieden. Daarna trok het naar de Rijn voor een campagne tegen de Alamannen. Omdat de keizer aanvankelijk wilde onderhandelen en zo de legionairs leek te beroven van een gelegenheid tot plunderen, ruimden zij hem in het voorjaar van 235 uit de weg en plaatsten een agressievere man op de troon: Maximinus Thrax. Vanaf dit moment bepaalden de legers wie de macht had, zoals de legioenen in de eerste eeuw v.Chr. ook hadden gedaan. In de volgende jaren streed het Tweede tegen de stammen aan de Donau, stortte het zich in de burgeroorlog van het Zeskeizerjaar 238 en vertrok opnieuw naar het oosten voor een oorlog tegen de Sassanieden, die succesvol verliep tot keizer Gordianus III in 244 omkwam en Philippus Arabs in allerijl de troon besteeg. De nieuwe vorst liet II Parthica eerst strijden tegen een stam bij de Donaumonding en zette het daarna in tegen de opstandige generaal Decius, die desondanks in 249 de macht overnam. In het volgende decennium verbleef de eenheid in Italië, maar na 260 valt het spoor niet meer te volgen, al zijn inscripties bekend uit Syrië, Turkije, Bulgarije, Algerije en de Franse stad Bordeaux. Uit dit lijstje blijkt hoe de Romeinse grenzen werden bedreigd en dat er troonstrijd woedde. De strijd tegen de steeds beter georganiseerde stammen aan de overzijde van de Rijn en de Donau was van al deze conflicten het minst bedreigend. Bij hun plundertochten konden ze ver doordringen, maar uiteindelijk keerden ze, al dan niet met buit beladen, terug naar hun eigen land. Als ze werden geconfronteerd met de legioenen, waren ze geen partij. Ze konden de mensen in de provincie wél doen twijfelen aan het Romeinse bestuur - een zeker niet te onderschatten factor - maar konden het imperium niet omverwerpen. Veel gevaarlijker was de Sassaniedische koning Shapur I (241-272), die niet bang was voor de legioenen en tot tweemaal toe een keizer versloeg. Zijn eerste slachtoffer was Gordianus III, die ten strijde trok toen de Perzen Syrië waren binnengevallen. Hij heroverde het gebied en versloeg Shapur in de omgeving van de basis van III Parthica, maar werd op zijn beurt tijdens een opmars naar Ktesifon bij Misiche (het huidige Fallujah) verslagen en tijdens de terugtocht door zijn soldaten vermoord. De Perzische koning deed verslag in een inscriptie die hij liet aanbrengen te Naqsh-i Rustam, waar zijn voorgangers Darius, Xerxes, Artaxerxes en Darius II hun graven hadden. Toen wij net aan de macht waren gekomen, verzamelde keizer Gordianus een leger uit het hele Romeinse Rijk en uit de landen der Goten en Germanen en trok op naar Babylonië, tegen het land van Iran en tegen ons. Aan de grens van Babylonië, bij Misiche, vond een enorme veldslag plaats. Keizer Gordianus werd gedood, en het Romeinse leger vernietigd, de Romeinen riepen Philippus uit tot keizer, en deze kwam naar ons om te smeken om een verdrag. Om hun levens te kopen betaalden ze een half miljoen denarii en ze werden tribuutplichtig. Daarom hebben wij Misiche omgedoopt tot "Victorie van Shapur". |
|
Shapur I |
De overwinning werd ook herdacht met een rotsreliëf langs de weg van Ktesifon naar Perzië. Het toont hoe de koning op zijn paard komt aanrijden en Gordianus vertrapt. Van de andere kant nadert een tweede ruiter, die ook iemand vertrapt: de oppergod Hormizd en zijn tegenstrever Ahriman, de satan uit de Perzische staatsgodsdienst, het zoroastrisme. De symmetrie spreekt boekdelen: zoals God de duivel verslaat, zo verdrijft de koning het onrecht uit deze wereld. Met eeuwenoude hymnen, die door zogeheten magiërs werden gereciteerd, vereerde men in het oude Perzië het heilige vuur dat was gewijd aan Hormizd. In die hymnen stelde men de kosmos voor als de plaats waar het goede slag leverde met het kwade, dat vaak werd aangeduid als "de leugen", maar ook kon worden gepersonifieerd als Ahriman of gelijkgesteld aan een concrete vijand, zoals Gordianus. Wie nog mocht twijfelen aan het perfide karakter der Romeinen, werd er in de volgende passage uit de inscriptie bij Naqsh-i Rustam aan herinnerd dat de keizer woordbreuk pleegde: |
|
![]() Valerianus
|
Dit zevenendertigtal bevat alle Romeinse militaire bases in Syrië en aangezien bekend is dat daar in 252 een troepenmacht werd opgebouwd, kan deze tekst worden uitgelegd als verslag van een preventieve aanval door Shapur. Het duurde even voordat Rome een antwoord gereed had, maar in 260 rukte de energieke keizer Valerianus uit om Urhai (Edessa; het huidige Sanli Urfa in Turks Koerdistan) en Harran te beschermen tegen een aanval door Shapur. In de derde oorlog vielen wij Harran en Urhai aan en terwijl wij Harran en Urhai belegerden, rukte keizer Valerianus tegen ons op. Hij had zeventigduizend man bij zich uit Germanië, Raetia, Noricum, Dacië, Pannonië [...]. Voorbij Harran en Urhai leverden wij een grote veldslag met keizer Valerianus. Persoonlijk namen wij keizer Valerianus met anderen, zoals de generaals, de prefect van de keizerlijke garde en senatoren, gevangen en wij deporteerden ze naar Perzië. [...] Ook de mensen uit het Romeinse Rijk deporteerden wij en wij gaven ze huizen in het Rijk van Iran, namelijk in Perzië, Parthië, Elam, Babylonië en andere landen die het rijk waren van onze vader, grootvaders en voorvaderen. |
|
|
De brug bij Shushtar |
De krijgsgevangenen moesten als dwangarbeiders een brug slaan over
de Karun
bij het huidige Shushtar,
die sterk lijkt op de Pons
Fabricius in Rome. Ook bouwden ze de nieuwe residentie Bishapur, "mooie stad van Shapur", niet ver van het rotsreliëf
waarin de koning zijn zege over Gordianus gelijkstelde aan Hormizds zege
over het kwaad. De Sassaniedische heerser liet er nog eens twee
reliëfs bij maken waarin hij zijn propaganda bij de tijd bracht.
In deze jaren liet Shapur ook de inscriptie van Naqsh-i Rustam aanbrengen, waarin hij het geweld van de oorlog sublimeerde en op kosmisch niveau bracht. Zo presenteerde hij zich als het werktuig Gods. Dat is, opmerkelijk genoeg, ook de opvatting van de Romeinse auteur Lactantius, die behoorde tot de door Valerianus vervolgde christelijke minderheid. Hij kon de keizerlijke nederlaag niet anders zien dan als een ingreep van de ene, ware en almachtige God. Hij schrijft in zijn schotschrift De dood van de vervolgers: |
|
|
Het tweede relief bij Bishapur |
|
|
| Het idee dat door zowel Shapur als Lactantius wordt uitgewerkt, is
dat er maar één God is die er werkelijk toe doet, en dat
de vorst diens speciale vertegenwoordiger is op aarde. Faalt de wereldse
heerser, dan zal God hem straffen; is hij echter rechtvaardig en vroom,
dan zal hij bovennatuurlijke steun ondervinden.
Hoewel de religieuze component in de Oudheid zelden ver weg was als historische gebeurtenissen moesten worden verklaard, is het standpunt van Shapur en Lactantius toch vrij zeldzaam. In een polytheïstische context is de nederlaag van een goede koning altijd te verklaren door erop te wijzen dat hij een der onsterfelijken was vergeten, en het was daarom niet noodzakelijk een militaire mislukking af te doen als een persoonlijk falen. Meer traditionele Griekse of Romeinse auteurs die verslag deden van Valerianus' nederlaag, stelden hem niet aansprakelijk. Zo zwaait de samensteller van de Historia Augusta de verslagen keizer hoge lof toe - weliswaar via verzonnen documenten, maar het sentiment is duidelijk. Hij is veel representatiever voor het antieke denken dan een Lactantius en het is niet overdreven te stellen dat het idee dat de heerser militair succes heeft zolang hij zich houdt aan de richtlijnen van de ene God, in feite geen parallellen heeft buiten het bijbelboek Koningen. De interessante vraag of het zoroastrisme dit idee zelf heeft ontwikkeld of het heeft overgenomen uit het Jodendom, kan niet worden beantwoord. De gevangenname van Valerianus wordt wel gepresenteerd als een catastrofe, maar in feite bleef de schade beperkt. Het Romeinse Rijk bestond al te lang en was te zeer deel geworden van het leven van alle volken rond de Middellandse Zee om zomaar te bezwijken. Zelfs de Grieken, die zich beschouwden als cultureel superieur aan de bewoners van Italië, spraken al een eeuw van "wij Romeinen". Net als in Tripolitana, waar de burgers na 238 de hakken in het zand hadden gezet en zelf de verdediging ter hand hadden genomen, nam men ook in Syrië het heft in eigen hand. Op verschillende plaatsen boden militaire leiders weerstand tegen de Sassanieden en generaal Odaenathus wist dit verzet te organiseren. In 266 trok hij op naar Ktesifon en nam die stad in. De schande was uitgewist. |
||
Postumus (Rheinisches Landesmuseum, Bonn)
|
In West-Europa gebeurde iets soortgelijks. Terwijl Valerianus' zoon Gallienus zich bezighield met de reorganisatie van de Donaugrens, organiseerden de Galliërs hun eigen keizerrijk. Hun leider Postumus beschermde de rijksgrens tegen de Alamannen en Franken. Hierbij vond een belangrijke innovatie plaats. De limes strekte zich vanouds als een eindeloze reeks forten en wachttorens uit van Katwijk tot Koblenz, slingerde zich rond de goudmijnen in de Taunus, en liep daarna om de vruchtbare akkerbouwgronden van de Beneden-Main en de Neckar naar Regensburg aan de Donau. Het zwakke punt van de lijnverdediging was bekend: braken de Germanen eenmaal door deze linie, dan konden ze eindeloos doormarcheren, bijvoorbeeld tot in Catalonië, zoals kort na 260 gebeurde. Postumus loste het probleem op door een tweede verdedigingslinie aan te leggen van cavalerie-eenheden die waren gebaseerd in steden als Arras, Kortrijk, Tongeren en Trier. De wegen werden versterkt met kleine forten. In België valt deze grens min of meer samen met die tussen enerzijds zeeklei en zandgrond, en anderzijds löss: de tweede linie verdedigde de beste akkers. |
|
|
Dit systeem plaatste een invaller voor een dilemma: als ze de grensversterkingen aanvielen, verloren ze kostbare tijd en werden ze het doelwit van een snel uit het achterland naderend cavalerieleger, maar zochten ze de confrontatie met de hoofdmacht, dan zouden ze in de rug worden aangevallen door de grenstroepen. Dit betekende dat een strook van zo'n honderd kilometer breed was aangewezen als oorlogszone, en menigeen trok weg naar zuidelijker en vruchtbaarder streken. In de Lage Landen zouden de klei- en zandgronden op den duur worden overgenomen door Germaanssprekenden, en zo is de taalgrens een gevolg van Postumus' reorganisatie van de grens. In feite was dit systeem, dat bekendstaat als diepteverdediging, de culminatie van verschillende factoren: de open limes, Severus' schepping van een strategische reserve en vooral het zelfvertrouwen van de provincies. Het grote probleem was de prijs: het aantal soldaten, dat in de tijd van Severus rond de 350 000 had gelegen, groeide uit tot zo'n 650 000. Tegelijkertijd was door de trek naar het platteland het aantal eenvoudig te belasten onderdanen afgenomen. De nieuwe defensievorm functioneerde goed, maar de marges waren geringer dan in de tweede eeuw. Toen keizer Aurelianus in 274 na een buitengewoon bloedige veldslag het Gallische Rijk weer toevoegde aan het "echte" Romeinse Rijk, kwamen zoveel soldaten om dat het precaire evenwicht was verstoord en Gallië door Germanen onder de voet werd gelopen. Pas jaren later werd de Rijngrens hersteld. Al eerder had Aurelianus een einde gemaakt aan de onafhankelijkheid van de oostelijke provincies. Hij zocht naar een manier om de herwonnen rijkseenheid te versterken en dacht daarbij aan een vorm van monotheïsme. De cultus van de "onoverwinnelijke zon" kreeg een plaats in de staatsgodsdienst. Filosofen hadden al eerder beweerd dat de zon het zichtbare aspect was van de ene God, waarvan alle andere goden slechts manifestaties waren, en een halve eeuw eerder was al eens geprobeerd de cultus in te voeren van de Syrische zonnegod Ilâh ha-Gabal ("heer der berg"), een god die zo geliefd was dat zijn cultus zich al rond het midden van de tweede eeuw had verspreid tot in Nederland. |
||
|
|
Latere keizers probeerden zich te legitimeren met andere goden, zoals Hercules en Jupiter. Net als Shapur, die niet-zoroastrianen liet vervolgen, lieten de Romeinse heersers degenen die de staatsgodsdienst niet volledig onderschreven opsporen en niet zelden terechtstellen. De leiders van de zogeheten manicheeërs, die meenden dat er twee goden waren, werden levend verbrand en ook de christenen kregen het buitengewoon zwaar te verduren. In 311 maakte keizer Galerius een einde aan dit beleid. Tegelijkertijd heerste in West-Europa keizer Constantijn, die zich liet voorstaan op een bijzondere band met de zon. In 310 beweerde hij zijn beschermer, in de gedaante van de god Apollo, te hebben gezien in een visioen. Een redenaar haalde later in het jaar herinneringen op: U was afgeweken van uw route om een bezoek te brengen aan de mooiste tempel ter wereld, meer nog, om er de godheid te bezoeken die daar, zoals u gezien heeft, verblijft. Want, naar ik meen, Constantijn, zag u daar uw Apollo. Vergezeld van Victoria bood hij u lauwerkransen aan, die elk de voorspelling inhielden van dertig jaar. [...] Trouwens, waarom zeg ik "naar ik meen"? U hééft de god gezien. |
|
| Zo'n dertig jaar later schreef bisschop Eusebios een Leven
van de zalige keizer Constantijn, waarin een heel ander visioen wordt
genoemd. In 312 voerde de keizer een oorlog tegen zijn rivaal Maxentius,
die resideerde in de stad Rome. Tijdens Constantijns opmars zouden zijn
soldaten boven op de zon een kruis hebben zien staan, samen met een aan
de hemel geschreven toelichting: "In dit teken zul je overwinnen."
In de daaropvolgende nacht zou Christus in een droom Constantijn hebben
gelast veldtekens te maken met dit symbool. De keizer was daarop christen
geworden.
Twee visioenen is te veel van het goede. Tenzij we aannemen dat Constantijn
aan pseudologia phantastica leed, moeten we aannemen dat het jongste van
de twee verhalen is ontstaan doordat het eerste niet goed is begrepen.
Toch wordt één element bevestigd in een vrijwel contemporaine
bron: Lactantius' Dood van de vervolgers, waarin te lezen
is dat Constantijn in een door een godheid geïnspireerde droom opdracht
kreeg een symbool te laten aanbrengen op de schilden van zijn soldaten.
Dat zou het Christusmonogram zijn geweest, maar het probleem is dat het |
||
|
Op 28 oktober 312 stuitte Constantijn even ten noorden van Rome, bij de Milvische brug, op het leger van zijn tegenstander, waarvan onder meer II Parthica deel uitmaakte. Een kleine drie jaar later beschreef Eusebios de veldtocht en de beslissende slag in zijn Kerkgeschiedenis. Hij heeft geen goed woord over voor Maxentius, die hij door middel van bijbelcitaten gelijkstelt aan de farao van het Uittochtverhaal. Constantijn trok zich het lot van de slachtoffers van de tirannie in Rome aan. Hij riep God in de hemel en diens Woord, de redder van alle mensen, Jezus Christus zelf, als bondgenoot te hulp en trok met zijn gehele leger op om de voorvaderlijke vrijheid voor de Romeinen te herwinnen. Maxentius, die zijn zelfvertrouwen niet ontleende aan populariteit bij zijn onderdanen, maar aan magische manipulaties, waagde zich niet buiten de poorten van Rome, maar bezette iedere plaats, regio en stad in de omgeving van Rome en in geheel Italië, voorzover dat onder zijn heerschappij zuchtte, met een ontelbare menigte soldaten en talloze legerscharen. De keizer viel, in volledig vertrouwen op de bijstand van God, het eerste, het tweede en het derde leger van de tiran aan en versloeg ze allemaal volledig. Hij rukte op door het grootste gedeelte van Italië en bevond zich reeds in de onmiddellijke nabijheid van Rome. Om te voorkomen dat de keizer gedwongen zou worden omwille van de tiran oorlog te voeren tegen Romeinen, sleepte God zelf de tiran als in ketenen ver weg van de poorten van Rome.Een jaar na deze overwinning bekrachtigde Constantijn Galerius' besluit het christendom als religie toe te staan. Bovendien liet hij - en dat was nieuw - de kerken compenseren voor de schade die ze tijdens de vervolgingen hadden geleden. Dat maakte het voor een auteur als Lactantius eenvoudig een christelijke interpretatie te geven aan de gebeurtenis en het -teken
als eerste te interpreteren als symbool van Christus. Ook Eusebios meende
dat Constantijn had gehandeld in opdracht van de christelijke God. De keizer
zelf zal het niet hebben tegengesproken, want hij zocht de steun van de
christenen. In latere jaren zou hij steeds meer met hun godsdienst gaan
sympathiseren, zodat het niet vreemd is dat Eusebios later het visioen
van 310, de overwinning bij de Milvische brug en het einde van de christenvervolgingen
aaneensmeedde tot één legende. Het valt zeker niet uit te
sluiten dat dit gebeurde met goedkeuring van de oude keizer zelf, die,
terugblikkend op een succesvolle regering, het visioen waarmee het allemaal
was begonnen met terugwerkende kracht kerstende. Het menselijk geheugen
is in staat tot wel vreemdere sprongen.
Zo had aan het begin van de vierde eeuw het idee postgevat dat er één God was. Het was geen absoluut monotheïsme. De Perzen vereerden naast Hormizd andere goden en ook nadat Constantijn zich in 337 had laten dopen, vond de traditionele cultus voortgang. De christenen vormden nog steeds een minderheid. Maar het idee dat de vele goden manifestaties waren van de ene God werd in de derde eeuw steeds gangbaarder, net als de opvatting dat de heerser succesvol was zolang hij zich aan de goddelijke voorschriften hield. En dus kon Eusebios de zege van Constantijn presenteren als een bijbelse gebeurtenis, zonder ook maar één woord vuil te maken aan het lot van de gewonden en gesneuvelden. |
||
|
|
||