| home | ||
Polderdenken |
![]() |
|
Polderdenken.
De wortels van de Nederlandse overlegcultuur 2005 Athenaeum Amsterdam;
90.253.3145.9.
Bespreking in Trouw, 19 februari 2005Wien 't polderwater door d'adren vloeit; We kunnen van onze voorouders leren
Net als twee andere recent uitgegeven boeken - Polderdenken. De wortels van de Nederlandse overlegcultuur van Jona Lendering, en de herdruk van Piet de Rooy’s Republiek van Rivaliteiten - toont De vergeten geschiedenis dat de geschiedenis een goudmijn aan argumenten kan opleveren voor de hedendaagse discussie rond immigratie en integratie. Alsof de drie auteurs, elk op eigen wijze, de verwilderde natie een spiegel voorhouden en zeggen: kijk, dit ben je, dit kun je, en ook over de hedendaagse identiteitscrisis groei je wel weer heen. En waarom dat zo is? Omdat bijvoorbeeld het paciferen van tegenstellingen ons in het bloed zit, zoals het veelgeprezen overzichtsboek Republiek van Rivaliteiten. Nederland sinds 1815 ons duidelijk maakt. Omdat we er met overleg doorgaans wel weer uitkomen, vult Lenderings vlot geschreven analyse van het 'polderdenken' aan. En, zo toont een combinatie van drie titels, omdat de historische hutspot van pragmatische tolerantie en gewetensvrijheid, gematigde onverdraagzaamheid en ingehouden vooruitstrevendheid niet de ongelukkigste is om met maatschappelijke verschillen om te gaan. De conclusie wordt in geen van de boeken getrokken, maar zou er zo in kunnen staan: het uitzonderlijke van de huidige maatschappelijke situatie is niet die situatie zelf, maar het feit dat die als uitzonderlijk wordt ervaren, als niet-vergelijkbaar met eerdere periodes van oplopende dan wel uitbarstende spanningen in de samenleving. Het de boel bij elkaar houden, het model-Cohen, is geen lullige beleidsslogan maar een logische hedendaagse variatie op een uit historische noodzaak geboren en in eeuwen verfijnde methodiek om maatschappelijke verschillen te signaleren en spanningen in overleg te pacificeren. Het is daarom 'onterecht en uitermate ironisch' dat de polderende Nederlander 'uitgerekend in dit tijdvak aan zichzelf is gaan twijfelen', schrijft Lendering. De reeks van historische voorbeelden om bovenstaande ideeën te steunen is eindeloos. Lees bijvoorbeeld mee in Palms De vergeten geschiedenis, waarin een aantal historici wordt geïnterviewd over de voor hen belangrijkste momenten in onze geschiedenis. Daarin noemt Geert Oost-Indië de kersteningsperiode, "waar men voor het eerst ervaring opdeed met zelfbeheersing als opgelegde waarde". Jos Palm schrijft zelf in het nawoord zonder blikken of blozen dat in de zeventiende eeuw een "samenleving ontwikkeld was die het best getypeerd kon worden als permanente omgangsregeling voor allerlei gezindten en minderheden". Uit de boeken van De Rooy en Lendering wordt duidelijk hoezeer het overlegmodel is voortgekomen uit de geografische gesteldheid van Nederland: een delta die door de ligging en de loop van de grote Europese rivieren wel moest uitgroeien tot een dichtbevolkt gebied, waar verstedelijking, handelsactiviteiten en de eb en vloed van arbeidsmigratie zo ongeveer natuurverschijnselen zijn. Beide boeken maak ook duidelijk hoe uitzonderlijk - in de zin van uitzonderlijk knap - het kleine landje aan de Noordzee telkens met nieuwe maatschappelijke verschillen leerde omgaan. Van het overleg tussen graven en boeren in de middeleeuwse waterschappen tot de pacificatie van de Verzuiling: alle dieren tellen mee, het is niet alleen de top van de machtspiramide die er beleidsmatig toe doet. Een onderscheid dat door De Rooy wordt omschreven als het verschil tussen een 'staatsnatie' en een 'cultuurnatie': "De geschiedenis wordt niet bepaald door de grote momenten van het staatsleven, maar vooral door de gestage ontwikkeling van onderlinge omgangsvormen en de groei van een meer homogene samenleving." De indruk zou kunnen ontstaan dat de besproken boeken lijden aan wat academische historici 'finalisme' noemen: het benaderen van het verleden door een omgekeerde verrekijker, waardoor in het verleden alleen wordt waargenomen wat er vandaag toe doet. Niets is minder waar, in alle drie de boeken krijgen de mislukkingen, minpunten en zwarte bladzijden van de Nederlandse geschiedenis veel aandacht. Van belang is echter dat de drie auteurs, alle historische bezwaren in ogenschouw nemend, tóch de Nederlandse historische eigenheid durven benoemen, in een Nederlandse geschiedenis die niet alleen tot een gematigde trots op dit land kan inspireren, maar wellicht beleidsmakers tot voorbeeld kan strekken. In elk geval zijn deze boeken bruikbaar voor de lezer die zichzelf en zijn meningen los wil zingen van de beperkingen van het heden, om een meer genuanceerd standpunt te vinden in het maatschappelijk gesprek van vandaag. Arjan Terpstra |
|
|
|
|
||
|
|
||