| home | ||
Polderdenken |
![]() |
|
Polderdenken.
De wortels van de Nederlandse overlegcultuur 2005 Athenaeum Amsterdam;
90.253.3145.9.
Bespreking in De Groene Amsterdammer, 11 maart 2005Wie, omdat hij moet inburgeren of omdat hij slachtoffer is van de onderwijsvernieuwingen van de jaren zestig en zeventig, op zoek is naar een verhelderend overzicht van de geschiedenis van Nederland en zich niet wil verliezen in tal van impressionistische verhalen en smakelijke anekdotes waarin nogal wat "boeken voor het grote publiek" grossieren, doet er goed aan Jona Lenderings Polderdenken te kopen. Op even beknopte als meesterlijke wijze laat Lendering zien hoe vanaf de Middeleeuwen, toen graaf Dirk III van Holland de feodale banden doorbrak door degenen die zijn zompige territorium ontgonnen de vrijheid te schenken, in Nederland iets ontstond dat uniek was: de overlegcultuur. Terwijl overal in Europa horigen of zelfs lijfeigen boeren zuchtten onder het juk van de adel, overlegden de vrije Hollandse boeren op zakelijke wijze met hun landsheer. Nadat de ontginning van het veen had geresulteerd in een ecologische ramp, en de Noordzee het gebied begon te overspoelen, moesten de boeren zich organiseren in waterschappen, waardoor er nog vaker en intensiever overlegd moest worden. Het was geen toeval dat toen er een alternatief leek te komen voor het sterk hiërarchische katholicisme, het in wezen egalitaire calvinisme in deze samenleving snel wortel schoot. Toen door de centralisatiepogingen van Karel V en Filips II ook het stille bondgenootschap tussen landsheer en onderdanen werd opgezegd, brak de Opstand uit en ontstond de soevereine Republiek der Verenigde Nederlanden.Lendering ontkent niet dat de overlegcultuur zijn schaduwkanten heeft. Doordat er altijd een compromis moet worden gezocht, is het moeilijk om "beleid op hoofdlijnen" uit te stippelen. Er zijn immers zoveel "hoofdlijnen". Hierdoor is het maken van radicale keuzes en het nemen van echt innovatieve maatregelen vaak niet mogelijk. Dit is een van de oorzaken van het feit dat de Industriële Revolutie niet in Nederland maar in Engeland uitbrak. Een andere oorzaak was dat Hollandse werkgevers teveel respect hadden voor hun werknemers. De Engelse grootgrondbezitters die het initiatief tot de industrialisatie namen woonden op grote afstand van hun arbeiders, en zagen er geen been in om hen op de meest meedogenloze wijze uit te buiten en op te jagen. De Nederlandse werkgever was hiervoor over het algemeen te humaan, hield teveel rekening met zijn mensen. Hoewel Lendering nog meer nadelen van de overlegcultuur signaleert -zoals het te lang verborgen blijven van ernstige meningsverschillen en het doodzwijgen van grote problemen- gelooft hij niet dat het Nederlandse model echt in crisis verkeert: "De Nederlandse overlegcultuur is in feite niet stuk te krijgen. Het lukte de Franse en Duitse bezetters evenmin als de Spaanse soeverein. Het streven naar consensus is Nederlanders zó dierbaar dat ze er nooit afscheid van zullen nemen. Het einde van de overlegcultuur zou per slot van rekening niets anders zijn dan het einde van de Nederlandse identiteit." Rob Hartmans
Bespreking in NRC Handelsblad, 2 april 2005Samen voor de eigen dijken
Werknemers: Vervult uw plicht. Het Vaderland heeft allen nodig. Een nieuwe toekomst ligt voor ons. Aan den arbeid! Vijf regels uit een proclamatie, bijna zestig jaar geleden, gedrukt op de persen van De Telegraaf, die de normen en waarden van de overlegeconomie tot vandaag verankerd hebben. Dit was de basis voor de Stichting van de Arbeid, hét naoorlogse overleg- en adviesforum van bazen en bonden. De stichting was de uitkomst van geheim sociaal overleg onder leiding van Dirk Stikker, directeur van Heineken, en later een van de oprichters van de VVD. In de oorlog was stiekem sociaal overleg een daad van verzet. Nu is verzet tegen dat overleg bijna een aanbeveling. De namen wisselen: overlegmodel, consensusmodel, poldermodel. De waardering ook. Het woord polderen is zo typisch jaren negentig, zo Hollands. Zelfs innovatie is inzet van overleg. Wie heeft dat overleg bedacht en waarom? Jona Lendering, die aan de Vrije Universiteit anderstalige studenten de kern van Nederland uitlegt, traceert het overlegmodel tot drie watersnoodrampen, in 1134, in 1163 en in 1170, toen grote delen van Friesland en Noord-Holland onderliepen. Voor de stadsmuren van Utrecht vingen de inwoners in 1170 zeevis. Die rampen veranderden Nederland. De IJssel werd een aantrekkelijke doorgaande route, de basis voor de bloei van Hanzesteden als Kampen, Deventer en Zutphen. De Friese en Hollandse boeren trokken weg en gingen dijken bouwen. Elk gezin langs het langgerekte lint van boerenerven werd verantwoordelijk voor zijn eigen stukje dijk. Dat was zelfwerkzaamheid onder gelijkgestemden, horigheid was in deze gebieden al vroeg verdwenen. Lendering beschrijft de subtiele hiërarchie. De boeren waren formeel ondergeschikt aan de graaf, die het wettig gezag vertegenwoordigde. Zij erkenden zijn gezag en betaalden hem belasting, en hij erkende hun vrije rol, die weer economische groei en aanzien opleverde. Omdat dijken iedereen beschermden ging ook iedereen verplicht meebetalen, en ook meepraten. De uitleg over de wortels van het poldermodel is het beste deel van Lenderings boek. De auteur heeft in het vervolg van de geschiedenis oog voor periodes waarin het overleg tot stagnatie leidt, zoals in de Franse tijd. Als de industrialisatie eindelijk begint, is dat ook het begin van de strijd van werkgevers en werknemers. Dat is een gecompliceerde geschiedenis, die Lendering niet echt uitwerkt. Geen overleg zonder strijd, geen polder zonder staking. En gestaakt is er. Sjaak van der Velden telde voor zijn boek Werknemers in actie16.000 stakingen sinds de Fransen Nederland verlieten. Zijn boek is een vademecum van verzet en frustratie, ook van de auteur zelf die de arbeidersklasse zoveel meer en beter gunt. Het is ook sociale archeologie. 'Trouwe stakers' als de landarbeiders zijn door de mechanisatie van de landbouw in de jaren vijftig met de Marshallhulp vrijwel verdwenen. Werknemers in actie leest als een praktijkboek. Wie een staking organiseert of vreest lette op Rotterdam. Het klassieke verloop is: eerst de altijd goed georganiseerde, luidruchtige en actiebereide Rotterdamse havenwerknemers. Dan de olievlekwerking. Dan de voorspelbare kom-maar-op-jullie houding van werknemers en/of het kabinet. Gratis treinkaartjes en mooi weer doen de rest, zoals op 2 oktober vorig jaar op het Amsterdamse Museumplein. Daarna kan het overleg weer verder gaan. In Nederland is staken het voortzetten van overleg met andere middelen. Zelfs als Nederlandse vakbondsleiders de staking van hun leven voorbereiden, blijven zij praten met hun tegenstander. In achterafkamertjes, dat wel. Verzet tegen het overlegmodel is een voorwaarde van zijn succes. Praten zonder confrontatie van opvattingen is geen overleg. 'Bij het poldermodel hoort dus ook een conflict', concludeert Herman Pleij, hoogleraar historische Nederlandse letterkunde aan de universiteit van Amsterdam. Zijn bundel, Erasmus en het poldermodel, leest als een lange editie van een talkshow met één gast, vol oude en nieuwe historie, van Erasmus tot de nieuwe bijbelvertaling én het EK-voetbal. Pleij is een ware gelovige en is ervan overtuigd dat Erasmus en het poldermodel vooralsnog onweerstaanbaar blijven. Maar is dat zo? Lendering signaleert dat het poldermodel niet een vanzelfsprekende succesformule is. Hij ziet twee eerdere periodes van falen: onder Filips II en in de Franse tijd. De Nederlandse economie bleek toen niet bij machte zichzelf te vernieuwen. Terwijl de Britse industriële revolutie op gang kwam, tobde Nederland tot ver na Napoleon met de Jan Salie-geest. Lendering verklaart de vertraagde Nederlandse deelname aan de industriële revolutie onder andere uit tekortschietend ondernemerschap. De managers durfden geen radicale maatregelen te nemen, zoals loonsverlaging of massaontslagen. Overleeft het poldermodel de verplaatsing en uitbesteding van goederen en diensten naar Oost-Europa, China en India? Lendering kiest niet. Het poldermodel kan volgens hem bezwijken onder druk van lagelonenlanden, maar in Europa kan Nederland zich wel onderscheiden met zijn overlegkwaliteiten. Toch is enige scepsis op zijn plaats. Het credo is niet zoals zestig jaar geleden 'Aan den arbeid', maar: eerder stoppen met arbeid. Menno Tamminga |
|
|
|
|
||
|
|
||