| home | ||
Polderdenken |
![]() ![]() ![]() ![]() |
|
Polderdenken.
De wortels van de Nederlandse overlegcultuur 2005 Athenaeum Amsterdam;
90.253.3145.9.
Bespreking in Ad Valvas, 7 april 2005Het 'poldermodel' is sinds een paar jaar ernstig in diskrediet. Onterecht, vindt VU-historicus Jona Lendering. In zijn nieuwe boek laat hij zien hoe diep de overlegcultuur in onze geschiedenis verankerd is. En hoe goed ze zou zijn voor de rest van Europa.Drie hoeraatjes voor de polderVraag buitenlanders wat ze aan de Nederlandse werkcultuur opvalt en negen van de tien roepen "altijd vergaderen" (de tiende roept "altijd koffie"). Inderdaad, Nederlanders vergaderen veel. Er worden hier weinig beslissingen genomen die niet eerst groepsgewijs gekneed zijn. Een cliché? Oké, maar, zoals Jona Lendering schrijft in de inleiding bij Polderdenken, clichés bevatten eigenlijk altijd een kern van waarheid.Zodat het de lezer ook niet zal verbazen dat Lendering -docent bij Hoger Onderwijs Voor Ouderen en het Voorbereidend jaar Anderstalige Studenten aan de VU en eerder al auteur van een goedverkopend boek over Alexander de Grote- in zijn nieuwe boek het aloude verhaal herhaalt dat de Nederlandse manier van leven, onze traditie van overleg voeren en consensus nastreven, terug te voeren valt op onze strijd tegen het water. Een graaf kon immers nog zoveel land bezitten, als er geen boeren waren die het droog wilden houden had hij daar weinig aan. En dat wisten die boeren ook, zodat ze er wel voor zorgden dat de graaf van hun wensen op de hoogte was. Maar Lendering doet meer dan smakelijk hervertellen wat we allemaal al wisten. Hij haalt er veel voor de leek onbekende weetjes bij. Zo zullen de meeste Nederlanders nauwelijks beseffen dat hun heroïsche 'God schiep de wereld, de Hollanders schiepen Holland' beter kon luiden 'God schiep Holland, de Hollanders pompten het onder'. Als we ergens rond het jaar 1000 niet de Utrechtse zandgronden en de duinen van het Kennemerland hadden verlaten om de tussenliggende veengebieden te exploiteren, was er niets aan de hand geweest. Want veen is weliswaar vreselijk vruchtbaar, maar ook vreselijk nat ('vochtig compost' noemt Lendering het). Om het te kunnen bebouwen moet het dus ontwaterd worden. Het gevolg: inklinking. Binnen een paar eeuwen zakten de hoge Hollandse veenkussens in tot mosveldjes die bij het minste of geringste onderliepen. Dijkbouw en goed georganiseerd waterbeheer werden dus pas toen een dringende noodzaak. Maar ook zonder overstromingen was de situatie tegen het einde van de Middeleeuwen redelijk rampzalig. Hoe lager het veen kwam te liggen, hoe vaker het graan op de velden wegrotte. Een groot deel van Holland was sindsdien alleen nog geschikt voor veeteelt. 'Een ommekeer van apocalyptische dimensies', schrijft Lendering. Want veel mensen raakten zo niet alleen brood-, maar ook werkloos - veeteelt is immers minder arbeidsintensief dan akkerbouw. Maar zie daar! Slimmerds vonden de kogge uit, een zeewaardig bulkschip waarmee de Hollanders linea recta naar Pruisen konden zeilen. Onze overschotten aan boter en kaas werden daar tegen enorme hoeveelheden graan geruild. De 'moedernegotie' was geboren, Hollands Gouden Eeuw kon beginnnen. Net als overigens de opstand tegen de nieuwe Spaanse koning, die te weinig op had met onze overlegcultuur. Ons 'poldermodel' overleefde die Opstand en de eeuwen daarna. En al is het vandaag de dag eerder mode om er flink op af te geven, als het aan Lendering ligt maken we er de komende jaren zelfs een exportartikel van. Want hij eindigt zijn pocketversie van de vaderlandse geschiedenis met de stelling dat onze overlegcultuur wel eens dé oplossing kon zijn voor de huidige eurosclerose. Nu geeft Lendering meteen toe dat de toekomst voorspellen iets is waar een historicus zich maar beter verre van kan houden. Maar de Nederlandse geschiedenis leesbaar en vanuit een verrassend perspectief samenvatten is hem zeker toevertrouwd. Anne Pek
|
|
|
Bespreking in het Nederlands Dagblad, 11 maart 2005Nederlanders staan bekend om de vele vergaderingen die ze houden. Overal gaan ze over in conclaaf. Het cliché luidt dat de Nederlandse overlegcultuur, 'het poldermodel', is ontstaan door de strijd tegen het water, maar volgens oudheidkundige Jona Lendering speelden ook de veenontginningen vanaf 1000 n.Chr. een rol. In een prettig leesbaar boekje beschrijft Lendering de overlegcultuur van de Nederlanders vanaf het jaar 1000 tot nu. Toen, onder heerschappij van de Duitse keizer Otto III, leefden de gewesten bij de Noordzee geïsoleerd. Nu is er door de Europese eenwording en de globalisering voortdurend internationaal overleg. Lendering vindt dat de Nederlanders daarin een toonaangevende rol kunnen spelen, gezien hun ruime ervaring met het poldermodel. |
||
|
|
||
|
|
||