<!-- ••• -->
home

Polderdenken

Jona Lendering, Polderdenken Polderdenken. De wortels van de Nederlandse overlegcultuur 2005 Athenaeum Amsterdam; 90.253.3145.9.
 

Bespreking in SER-bulletin (april 2005)

De echte hausse was al weer een aantal jaren geleden. Het poldermodel dat Nederland eind jaren negentig grote voorspoed bracht, is al lang niet meer het lichtende voorbeeld waar de wereld naar opkijkt. Polderen leek zelfs een vies woord geworden. Inmiddels lijkt het weer helemaal terug. Niet als middel om economische voorspoed te creëren, meer als gemeenschappelijke traditie om het land bij elkaar te houden.
 

Historici duiken op het poldermodel; Terug naar de oorsprong 

Terwijl het eind jaren negentig vooral ging om economen en politicologen, zijn het nu de historici die de loftrompet steken over het overleg. Nadat in ons jaarverslag Gouden Eeuwdeskundige Arie van Deursen al aangaf hoe Karel de Vijfde in de Nederlanden werd gedwongen tot overleg, zijn het nu de kenners van nog vroegere tijden die zich roeren met zeer leesbare boeken. Middeleeuwenman Herman Pleij schreef speciaal voor de boekenweek Erasmus en het poldermodel. Van Jona Lendering, die normaal vooral over de oude Romeinen en Grieken publiceert, verscheen Polderdenken.

Opvallend is dat beide heren voor de wortels van het overlegmodel ook daadwerkelijk terugkeren naar de polder, of beter gezegd: het moeras. Rond het jaar duizend was het grootste deel van West-Nederland nog nat, zompig en redelijk onbewoonbaar.

Bij Lendering ligt de nadruk op de rol van de Hollandse graaf en zijn boeren. De graaf, die oorspronkelijk over nauwelijks meer de baas was dan een smalle duinstrook en de Rijn- en Maasmonding, had een enorm achterland dat zo goed als onbewoond was. Drooglegging was voor hem dé mogelijkheid om zijn rijk te vergroten. Hij verleende concessies aan projectontwikkelaars die samen met boeren het zompige land introkken om dat te ontginnen en er dorpen te stichten.

Doordat de graaf die pioniers redelijk vrij liet (niet meer dan militaire dienstplicht en lage belasting), stroomden ze van heinde en verre toe. Het inwonertal van het graafschap steeg, net als zijn prestige en zijn belastinginkomsten.

Maar niet alles steeg. Het niveau van het land daalde. Letterlijk. Het polderen had ervoor gezorgd dat de bodem droger werd, inklonk en soms vele meters lager kwam te liggen. Dat leidde in de twaalfde eeuw tot enorme waterrampen die grote delen van West-Nederland voor soms honderden jaren deden verdwijnen. Dijken waren nodig en die kwamen er ook. Mede dankzij de nieuwe waterschappen waarin graaf en onderdanen samen het waterbeheer regelden, waren de Lek en de Hollandse IJssel al voor 1150 volledig bedijkt. Halverwege de veertiende eeuw verscheen in West-Friesland de Omringdijk die, 125 kilometer lang en vier meter hoog, het gebied rond Alkmaar, Enkhuizen en Hoorn beschermde.
 

Monniken

Pleij benadrukt dat het vooral monniken waren die het zompige land introkken om dat in ontwikkeling te brengen. Ze gingen ervan uit dat God bepaalde onderdelen van Zijn schepping bewust onvoltooid had gelaten zodat Zijn uitverkorenen daaraan verder konden werken. Strenge ordes als de Cisterciënzers vestigden zich daarom niet alleen in onherbergzame gebieden als de Pyreneeën en de Provence, maar ook in de moerasdelta aan de Noordzee.

Al het polderen zorgde ook voor een fysieke infrastructuur die erg handig bleek voor de handel. De vele kanalen zorgden voor een vervoersmogelijkheid die een enorme waarde had in een tijd waarin de wegen slecht waren en de zeevaart nog vrij gevaarlijk. Maar misschien nog belangrijker volgens Pleij was de mentale infrastructuur die erdoor ontstond. Door het gezamenlijke werk ontstond een egalitaire en pragmatische cultuur.

Het is Desiderus Erasmus die het wetenschappelijke en moraalfilosofische fundament onder dat poldermodel legt, beweert Pleij. De opvattingen die hij zo rond het jaar 1500 verkondigde, mogen inmiddels open deuren lijken, in zijn tijd waren ze revolutionair. In de tijd van het absolutisme stelde hij al dat er geen sprake was van één enkele waarheid, dat de kerk mensenwerk was en dat je moest luisteren naar argumenten van anderen. Die waarden werden verder gedragen door de rederijkers en later door Willem van Oranje, waarvan Pleij toegeeft dat het niet bekend is of hij ook maar een woord van de grote filosoof gelezen heeft.

Pleij wijst erop dat in die tijd ook het gedogen ontstaat. De nieuwe Republiek der Nederlanden krijgt als eerste een scheiding tussen kerk en staat. De hervormden hebben weliswaar het alleenrecht om zich publiek te uiten, maar geloofsuitingen van andere religies worden oogluikend toegestaan.
 

Gedogen

Anno 2005 zit gedogen ten onterechte vaak in het verdomhoekje, stelt Pleij, die in zijn boek regelmatig van verleden naar heden springt en terug. "Wat is er mis met inschikkelijkheid en gedogen? Waarom mag niemand meer politiek correct zijn? De hang naar die deugden heeft de Lage Landen eeuw in, eeuw uit behoed voor veel structureel geweld dat elders verwoestende ontwrichtingen aanrichtte."

Het heen en weer hoppen in de tijd is ook een beetje het zwakke punt van het boek. Pleij weet veel. Niet alleen van de Middeleeuwen, ook van nu. In zijn verhaal haalt hij er dan ook van alles bij: Barend en Van Dorp, het overlijden van André Hazes, de Tokkies, de Veerkampjes, Ayaan Hirsi Ali en Theo van Gogh. Het is allemaal interessant en als lezer schiet je er doorheen, maar af en toe denk je wel: wat wil Pleij hier nu weer mee zeggen?

Lendering doet dat minder. Zijn boekje, dat eind jaren negentig ook al eens werd uitgegeven -maar minder mooi, en in een kleinere oplage- heeft historisch gezien net iets meer te bieden. Grote lijnen en details staan in de juiste verhouding. Wel is jammer dat hij vrijwel nergens zegt waar hij zijn kennis vandaan heeft. Noten heeft hij achterwege gelaten. 
 

Het poldermodel op tournee

Herman Pleij was er maar druk mee. In twaalf dagen trad de hoogleraar historische Nederlandse letterkunde maar liefst twintig keer op. Net voor de boekenweek maakte hij een tournee lang bibliotheken en theaters ter promotie van zijn Erasmus en het poldermodel, dat een paar dagen eerder verscheen.

In het Voorburgse theater De Tobbe zijn vooral ouderen op Pleij afgekomen. "Nederlanders moeten zich meer bewust worden van hun verleden", houdt Pleij de zestig mannen en vrouwen voor. "Geschiedenis laat zien dat dingen niet uit de lucht komen vallen en dat biedt houvast in een wereld vol onzekerheid. Het geeft antwoorden op vragen die door de ontzuiling in de lucht zijn komen te hangen." 

Het kost Pleij geen enkele moeite om het uur voor de pauze vol te kletsen. Vervolgens zet hij zich aan het signeren van zijn werk waarna er nog drie kwartier overblijven voor het beantwoorden van vragen over angst voor de islam, angst door de eeuwen heen en de wenselijkheid van een canon in het geschiedenisonderwijs. Pleij: "Daar ben ik erg voor. Sinds de jaren zestig is eigenlijk geen gemeenschappelijke basis meer aangebracht. Daardoor is er een zwak nationaal bewustzijn. We missen een gemeenschappelijk referentiekader. Het poldermodel kan daar een rol in spelen." 
 

Erasmus en het poldermodel 

Desiderius Erasmus (1467-1536) mag dan bekend staan als een wijze, verdraagzame humanist uit de Renaissance, hij heeft ook een andere kant. Om het in hedendaagse termen te formuleren: hij zeikt af, demoniseert en zet aan tot geweld. Pleij: "Het is soms echt keiharde satire." Vooral de Franciscaner monniken moeten het bij hem ontgelden. "Stront zou je moeten storten in die kwakende smoelen." Anderen wil hij in zakken genaaid in de Tiber gooien.

Volgens Pleij was Erasmus ervan overtuigd dat alleen in een polemisch debat de hoogste waarheid gevonden kan worden, mits men de bereidheid toont uiteindelijk toch ongelijk te kunnen hebben. "In een wetenschappelijke strijd is hij wijs die niet zozeer wil winnen als wel overwonnen wil worden, die niet zozeer wil onderwijzen als zelf leren. Als ik het onderspit delf, kom ik toch wijzer uit de strijd", schreef de Rotterdammer al in 1499.

Daarmee is Erasmus voor Pleij de ideale belichaming van het poldermodel. Dat is volgens Pleij een conflictmodel met een ingebouwd compromisvermogen, dat niet alleen toegepast wordt in de economie maar binnen veel verschillende sferen van onze samenleving. "Heel wezenlijk is de permanente confrontatie van zeer uiteenlopende standpunten, die door een maximaal aantal betrokkenen naar voren gebracht kunnen worden. Deze confrontatie geschiedt op basis van een uitwisseling van argumenten die niet alleen kunnen overtuigen, maar ook een verdere verduidelijking van de geschilpunten dienen in te houden. Daarbij vertoont men zoveel mogelijk respect voor de  andersdenkenden door hen uitvoerig aan bod te laten komen en op voorhand te accepteren dat zij zeker niet allen zomaar of zonder meer over de brug te halen zijn. Tegelijkertijd laat men zich leiden door de pragmatiek van het dagelijks leven, dat om zakelijke beslissingen vraagt waarmee iedereen kan leven. Daartoe zoeken betrokkenen zo efficiënt mogelijk naar handzame draagvlakken, gebaseerd in de gemeenschappelijkheid in de aangedragen standpunten en de overtuigingskracht van de argumenten over en weer."

Het voordeel van een dergelijk besluitvormingsmodel is volgens Pleij dat velen zich betrokken blijven voelen. Hun aanvankelijke standpunten zijn voor een deel gehandhaafd, terwijl het eindresultaat idealiter door niemand exclusief opgeëist kan worden.

"Overleg is de grammatica van onze cultuur", zegt Lendering. "Wie daaraan zit, komt aan het hart van de Nederlandse cultuur. Het is niet overdreven om de Nederlander te kenmerken als iemand die overal in gekend wil worden. De overlegcultuur bestaat al een eeuw of tien en heeft zich steeds aan veranderende situaties aan kunnen passen. Het is onwaarschijnlijk dat er een eind komt aan iets dat zo in ons bloed zit als het verlangen naar consensus en overleg." 

Overzicht van alle recensies
 home