<!-- ••• -->
home

Alexander de Grote

Jona Lendering, Alexander de Grote Onbekende landschappen, ontberingen, vreemde culturen, heroïek: de bestanddelen van het ideale reisverhaal zijn door de eeuwen heen niet gewijzigd. Daarom spreekt de geschiedenis van Alexander de Grote ook na 2300 jaar nog tot de verbeelding. Gedurende vier jaar reisden historicus Jona Lendering en cameraman Marco Prins de Macedonische wereldveroveraar achterna. Ze ontdekten dat er sinds de tijd van Alexander niet zoveel is veranderd.

De weg naar Uch

Daar staan we. Aan het begin van een bergpas, ver van de bewoonde wereld, in het lentezonnetje. Om ons heen de kale toppen van het Zagrosgebergte, aan onze voeten een miezerig beekje, boven ons een strakblauwe lucht en vóór ons het pad waarover eeuwen geleden de manschappen van Alexander hebben gelopen. Alleen marcheerden zij hier bij maanlicht door de sneeuw en hadden zij niet het comfort van een taxi die ze een eind bergop bracht. Onze chauffeur, een vriendelijke Iraniër die ons al de hele dag vervoert naar plaatsen waar al een kwart eeuw geen westerling is geweest, is beneden achtergebleven om een passerende herder uit te leggen wat die Hollanders hier in vredesnaam komen zoeken.
Overzicht van alle recensies
The northern valley, used by Alexander to circumvent the Persian gate. Photo Marco Prins.
Het bergpad om de Perzische
Poort

Dat is een lang verhaal. In het najaar van 331 v.Chr. had Alexander het huidige Irak veroverd en vervolgens zijn troepen bevel gegeven op te rukken naar het oosten, naar Persepolis, de hoofdstad van het toenmalige Perzische rijk. De tocht verliep zonder al te grote moeilijkheden, maar in de bergpas die bekendstond als Perzische Poort werden de Macedoniërs opgewacht door een Perzisch leger. Omdat Alexander de Perzen al tweemaal had verslagen, hield hij geen rekening meer met weerstand en zijn tegenstanders wisten hem zozeer in de problemen te brengen dat hij rechtsomkeert moest maken. Die avond legde een herder Alexander uit hoe hij om de vijandelijke stellingen heen kon trekken en namen de Macedoniërs het aangewezen bergpad. Bij zonsopgang vielen ze de Perzen in de rug aan. De verrassing was compleet, de zege totaal, en eind januari kon een begin worden gemaakt met de plundering van Persepolis.
A dromedary and a two hours old baby. Photo Marco Prins.
Een dromedaris en haar jong, twee uur oud

Ruim drieëntwintig eeuwen later wist een Britse hoogleraar, Henry Speck van de universiteit van Shiraz, de Perzische Poort te identificeren met een pas ten noordoosten van het huidige Yasuj. Maar hij slaagde er nooit in de plaats te bezoeken. Het waren de dagen van de Iraanse revolutie en toen hij aankwam in Yasuj kreeg hij van de politiecommissaris het dringende advies te maken dat hij wegkwam. Veel overredingskracht had hij niet nodig. Tijdens het gesprek op het politiekantoor hoorde Speck de kreten van mensen die door de geheime dienst van de sjah werden gemarteld.

Weer een kwart eeuw later is het allemaal moeilijk voorstelbaar. Anno 2004 is Yasuj een even vreedzaam als levendig provinciestadje waar de politie je, met de hoffelijkheid die Iraniërs lijkt te zijn aangeboren, alle mogelijke hulp verleent. Kinderen zijn er, zoals overal in Iran, als de kippen bij om het eerste Engelse zinnetje dat ze op school hebben geleerd op buitenlandse bezoekers uit te proberen, "What's the time, mister?" Ze gieren van de lach als je op je horloge kijkt. De plek waar Alexander zich een weg door de bergen baande heeft iets idyllisch. Dit is geen slagveld waar mannen vochten om hun huizen en families te beschermen, hier geniet je van het natuurschoon. En van de Italiaanse sigaren die we voor de gelegenheid hebben bewaard.

Het is leuk de eerste in tweeduizend jaar te zijn die de Perzische Poort bewust ziet, maar veel interessanter is wat toevallig op je weg blijkt te liggen. Niet de bestemming is het doel van de reis, maar de mensen en dingen die je tegenkomt. Daarom hebben reisboeken steevast titels als The Road to Mandalay, The Road to Wigan Pier of The Road to Shangri-La, en heten ze nooit Arrival. Natuurlijk, we gingen op reis om Alexanderlocaties te bezoeken en ons te documenteren voor mijn boek over de ondergang van het Perzische rijk, maar dat vormde eigenlijk slechts een excuus om op pad te gaan. Het verleden als aanleiding om het heden te verkennen.

Dat heden staat in Iran in het teken van de shi’a, een hoofdstroming binnen de islam [zie tekstkader]. De Europese media schrijven er nogal negatief over, maar wij hebben niets meegemaakt dat dit rechtvaardigt. In de heilige stad Qom, waar de moskee officieel verboden terrein is voor niet-moslims, raakten we via een tolk in gesprek met een hoyatoleslam die royaal de tijd nam onze vragen te beantwoorden. Ik weet nog niet zo net of je in het Vaticaan even gemakkelijk een bisschop mag uithoren.

Natuurlijk zijn er culturele verschillen. De meeste zijn makkelijk te verhelpen met goede wil, een lach en wat uitleg. Ik was verrast toen ik bij terugkeer een brief ontving van iemand die me in Iran had getutoyeerd maar nu mijn achternaam gebruikte. Mijn verbazing maakte plaats voor geamuseerdheid toen ik me realiseerde dat hij, hoewel Engels schrijvend, probeerde de beleefdheidsvorm van het Farsi te gebruiken. Andere verschillen zijn pijnlijker. Het komt op ons onaangenaam, zelfs beledigend over als de zojuist genoemde hoyatoleslam de dames in ons gezelschap niet aankijkt en een gids zegt tot zijn spijt in een openbaar gebouw de vrouwen geen hand te mogen geven. Theoretisch weet je dat het gaat om blijken van respect, maar het blijft ergerlijk en de verplichte hoofddoek blijft gedurende ons bezoek aan Iran zwaar wegen.

Ashura
Ashura: de jongen loopt mee in een soort Passiespel en speelt iemand in rouw om het bloedige lijk van Hoesein

En toch. Van de verschillende landen waar we op zoek naar Alexanderlocaties doorheen zijn gekomen, was Iran het meest fascinerend. Zo belandden we in Isfahan in het Ashurafestival, dat te vergelijken is met de christelijke Goede Vrijdag: een herdenking van het lijden van iemand die wegens zijn geloofsovertuiging is doodgemarteld. Al in de dagen die eraan voorafgaan zendt de radio speciale muziek uit en zijn er processies waarbij lange rijen mannen zichzelf als blijk van droefheid met een metalen knoet op de rug slaan. Het klinkt morbide maar het gaat om bossen kettinkjes en de pijn blijft beperkt tot een dreun op de schouders. De sfeer is dan ook allerminst bedrukt en op de herdenkingsdag zelfs feestelijk. Er worden hapjes uitgedeeld, iemand loopt met een soort wierrookbrander tussen de menigte door, er wordt thee geschonken, er is muziek en de moskeeën serveren na het middaggebed een eenvoudige maaltijd, waarbij ook wij welkom zijn. Er wordt veel gelachen en een van onze reisgenoten, een geoloog die cantor is in een katholieke kerk, wisselt e-mail-adressen uit met de jongen die dezelfde functie bekleedt in de Vrijdagsmoskee. Als westerling trek je al snel meer aandacht dan de acteurs die het passiespel opvoeren – in zekere zin jammer, want dat was nu net wat we zelf graag hadden gezien.

Drie maanden later landen we bij Islamabad, de hoofdstad van Pakistan. We zijn wat nerveus want ergens op het vliegveld moet de auto met overheidskentekens klaarstaan die voor ons is geregeld – maar hoe vind je je chauffeur in de mensenmassa? Gelukkig vindt hij ons, en eigenlijk hadden we dat kunnen weten: bleke westerlingen van één meter negentig zijn bezienswaardigheden.

Niet veel later rijden we over de Grand Trunk Road: de eeuwenoude route van Kabul via Peshawar, Lahore en Amritsar naar de steden aan de Ganges. Het is de Uttarapatha uit de antieke Indische literatuur, de hoofdweg waarover het boeddhisme zich naar het westen verspreidde en miljoenen mensen handel dreven en vrienden bezochten. Momenteel is het een vierbaansweg, maar je moet niet opkijken als tussen de bontversierde vrachtauto’s een stel buffels of een dromedaris opduikt. De G.T.R. is een wereld op zich, een historisch verhaal waar je als reiziger ineens in bent opgenomen, en het overdonderende begin van ons bezoek aan Pakistan.

In mei 326 v.Chr. rukten de Macedoniërs over de Uttarapatha op naar het zuidoosten, waar een radja hen opwachtte bij de rivier Jhelum. Sinds de zestiende eeuw ligt er een onzinnig groot fort dat weliswaar niets met Alexander te maken heeft, maar toevallig op onze weg ligt en dus interessant is. Niet de bestemming is immers het doel van de reis, maar wat je onderweg tegenkomt.

En interessant wordt het, want we genieten de eer te worden verwelkomd met stenen die naar onze auto worden gegooid. De schade blijft beperkt tot een gebroken zijspiegel en onze chauffeur herhaalt enkele malen dat hij ook niet weet waarom dit gebeurde. Maar hij heeft wél haast om weg te komen en wij besluiten verder maar niet te veel aandacht aan het incident te besteden.

The river Jhelum, the ancient Hydaspes, near the city of Jhelum. Photo Jona Lendering.
The Hydaspes battefield?

Het is niet moeilijk het te vergeten. Even later staan we op de plaats waar Alexander tijdens een onweersnacht de rivier overstak en we slaan geamuseerd gade hoe het Pakistaanse leger met speedbootjes dezelfde manoeuvre oefent. Verderop is een heuvel waar we onder het genot van een Italiaanse sigaar van het uitzicht genieten. Ik vertel de chauffeur hoe Alexander hier slaags raakte met zijn Indische tegenstander en hoe hij er met enkele handige cavaleriemanoeuvres in slaagde de vijandelijke olifanten in paniek te brengen. De dol geworden, wanhopig trompetterende dieren vertrapten hun eigen mensen en de Macedoniërs slaagden erin zonder noemenswaardige verliezen met hun vijanden af te rekenen.

Het is duidelijk dat onze chauffeur niet precies begrijpt wie Alexander is, maar hij heeft wel belangstelling en een paar dagen later, als we in Multan zijn aangekomen, begroet hij ons 's morgens aan het ontbijt met een grijns van oor tot oor. Een van zijn collega’s heeft hem uitgelegd dat Alexander dezelfde is als de Sikander-e-Azam, "Alexander de wereldheerser", van wie elke Pakistaan heeft gehoord.


Multan staat tegenwoordig bekend om drie dingen: stof, graven en hitte. Wij worden er verwelkomd met de geruststellende woorden dat we geluk hebben dat het niet meer zo heet is als de dag ervoor. Vandaag is het nog maar 46 graden. Ondanks deze meevaller sluiten we ons op in onze hotelkamer en kijken van onder de airconditioning naar het cricket op TV. Het journaal meldt dat een autobom is ontploft bij het Amerikaanse consulaat in Karachi.

De volgende ochtend lopen we door de fleurige straten naar het moderne fort, dat ligt op de plaats waar in de tijd van Alexander een rijkgedecoreerd heiligdom stond voor de god Vishnu. Antieke bronnen melden dat eerlijke mensen de ontelbare pelgrims gastvrij onthaalden. Die offerden bloemen in de tempel, waar altijd enkele dienaressen zaten te musiceren. Het moet een aangename plaats zijn geweest, want rond de tempel lagen tuinen met waterpartijen en in de buurt was een opvanghuis waar duizenden arme mensen eten, drinken en medicijnen kregen.

Alexander liet de stad plompverloren bestormen, en raakte daarbij zo ernstig gewond dat zijn manschappen vreesden voor zijn leven. Een begrijpelijke angst. Geen van Alexanders generaals had voldoende prestige om zich op te werpen als alleenheerser, en als de koning zou sterven, was oorlog tussen de generaals onvermijdelijk. De soldaten reageerden de spanning af door elke bewoner van Multan over de kling te jagen.

Nu ik het fort zie, begrijp ik beter waarom de inname van het tempelcomplex moeilijk verliep en Alexander er gewond raakte. De hellingen zijn vrij steil en moeten in de Oudheid nog steiler zijn geweest. De Vishnutempel is tot in de jaren veertig in gebruik geweest maar een betonnen ruïne is alles wat resteert. Toen Pakistan en India werden gescheiden, is op verschillende plaatsen tussen moslims en hindoes gevochten en we vermoeden dat toen ook de tempel is verwoest.

Bovenop de heuvel is een vervallen speeltuin met een monument voor twee Britse officieren die hier in de negentiende eeuw zijn gedood. Een fakir voorspelt er de toekomst en een paar kinderen bestormen ons met de vraag "What’s the time, mister?" Net als hun leeftijdgenootjes in Iran proesten ze het uit van plezier als we op onze horloges kijken.

One of the mausoleums on top of the citadel of Uch. Photo Marco Prins.
Uch

De bestemming mag dan wel niet het doel van een reis zijn, maar is wel het punt waar je begint met terugkeren. In ons geval in de stad Uch, niet ver van de plaats waar vier rivieren zich verenigen met de Indus. Alexander verbleef er enige tijd om te genezen van zijn verwonding en stichtte er een stad die hij naar zichzelf noemde. Nog eeuwen heette de plaats Askandra, maar meer herinnert er niet aan zijn verblijf, want de rivieren hebben ongeveer tweederde van de stad weggespoeld.

Er leiden twee wegen naar Uch, maar de ene ligt in z’n geheel open en de andere over een afstand van 30 kilometer. We prijzen ons gelukkig met "onze" four-wheel-drive met overheidskentekens, want hierdoor hoeven we in elk geval niet bij elke politiepost te stoppen. Door de hitte en het stof verdwijnt alle kleur uit het landschap, tot we uiteindelijk bij Uch aankomen: onverwacht rijzen de koepels van middeleeuwse mausolea op uit een groen palmbos.

 
We laten ons rondleiden en staan voor het eeuwige dilemma: de hoogte van de fooi. Te weinig geven is vanzelfsprekend verkeerd, te veel geven betekent dat je de waarde van het geld niet kent en een patser bent die zich niet voor mensen interesseert. Van verschillende kanten hebben we gehoord dat 50 rupee (één zesde dagloon) een goed bedrag is en dat je 100 rupee geeft als je zeer tevreden bent. Dat geven we dus standaard en we doneren aan elk offerblok. In de moskee van Uch staan echter meer offerblokken dan wij biljetten van 100 hebben en we worden prompt nagespuugd. Als we de gids, die ons langs elk offerblok heeft geleid, 500 rupee geven – kleiner hebben we het niet – en we bang zijn hem te beledigen, vraagt hij er nog wat bij.

Verward leggen we het geval voor aan onze chauffeur, die zich vrolijk maakt om onze onhandigheid. Als het om het aannemen van geld van westerlingen gaat, legt hij ons uit, kent een Pakistaan geen enkele gêne. Dat mag dan zo zijn, denken we, maar wij hebben het gevoel dat onze gids zich met zijn gemarchandeer vernedert. Het is niet de enige keer dat we dit meemaken, maar nooit zagen we duidelijker hoe armoede mensen berooft van hun waardigheid.

We vliegen vol onverwerkte indrukken terug naar Nederland. We hebben in Iran gastvrijheid en in Pakistan xenofobie ervaren; we hebben gezien op welke plaatsen Alexander als vriend en waar hij als vijand werd bejegend. We kwamen op de plaatsen waar de Macedoniërs mensen op de pijnbank legden en we zagen het politiebureau waar in onze tijd mensen zijn gemarteld. In Persepolis zagen we sporen van de brand die Alexander stichtte en de Pakistaanse TV toonde de schade van een bomaanslag. Onze Iraanse gids en onze Pakistaanse chauffeur hebben ons allebei verteld dat ze zich afvragen hoe ze een goede vader kunnen zijn voor hun kinderen. Hun voorouders moeten in de tijd van Alexander dezelfde vragen hebben gesteld.

"What’s the time?" Pas als we over Afghanistan vliegen, schiet het antwoord me te binnen: "It's always the same."

Tekst Jona Lendering

Ashura en de shi’a

In zijn laatste levensjaar wees Mohammed zijn schoonzoon Ali aan als opvolger, maar na zijn dood gaven de eerste moslims de voorkeur aan de gerespecteerde Abu Bakr. Velen volgden hem en diens opvolgers, die het islamitische wereldrijk organiseerden: het Kalifaat van Damascus, dat een sterk Arabisch karakter had. Hieruit is de islamitische hoofdstroming ontstaan die sunna heet, 'traditionalisten'. Anderen volgden Ali en zijn zonen en benadrukten dat God de afstammelingen van Mohammed, de imams, speciale geestelijke steun verleende. Tijdens de slag bij Kerbala in 680 sneuvelde Ali's zoon Hoesein en maakte kalief Yazid een einde aan de politieke aspiraties van de familie van Mohammed. Toch bleef deze stroming bestaan. Aangeduid als shi'a, 'partijgangers' (van Ali), werd ze populair in Iran.

Lange tijd gaven imams spirituele leiding aan de shi'ieten, die de dood van Hoesein ieder jaar herdenken tijdens het Ashurafestival en grote verering koesteren voor iedereen die om zijn geloofsovertuiging is gedood. Bovendien hebben ze, anders dan soennieten, die geen mensen mogen afbeelden, eindeloos veel schilderingen en andere weergaven van taferelen uit de religieuze geschiedenis. Tot slot verwachten shi'ieten dat ooit de twaalfde imam zal terugkeren op aarde om de juiste uitleg te geven aan de Koran.

Tot het zover is, is alle gezag en religieuze kennis mensenwerk, wat veelal heeft geleid tot een grote bereidheid af te zien van radicale oplossingen en de bereidheid samen te werken met de overheid. Nu de geestelijkheid zelf in Iran de macht bezit, is een nieuwe fase aangebroken in de geschiedenis van de shi'a.

meer besprekingen
 home