| home | ||
Alexander de Grote |
![]() |
|
|
|
Jona Lendering,
Alexander
de Grote. De ondergang van het Perzische Rijk, 2004 Athenaeum Amsterdam.
Bespreking in Trouw, 26 februari 2005Alexander de Verschrikkelijke
Uitgeverij Bert Bakker speelt handig op de film in: op het omslag prijkt Colin Farell, gezeten op zijn steigerend paard Bucephalas, terwijl hij de troepen aanvuurt. De vlag dekt in dit geval absoluut niet de lading: de studie van de Amerikaan Ian Worthington is een felle afrekening met de koning van Macedonië, die tussen het jaar 334 v.Chr. (hij was toen 22) en zijn vroeger dood ruim tien jaar later, Egypte en Azië tot de Indus aan zich onderwierp. De Alexander die Oliver Stone op het witte doek zette, is onder de historici al een halve eeuw volstrekt passé, hoe heerlijk je ook in dit jongensavontuur kunt wegzinken. Het is dan ook lachwekkend dat Stone het aan de stok kreeg met de Griekse regering omdat hij een glimp homo-erotiek had laten zien in Alexanders relatie met zijn jeugdvriend Hephaestion. Dat Alexander en Hepaestion minnaars waren, wordt door geen enkele serieuze onderzoeker betwist. Toen Hephaestion stierf, acht maanden vóór Alexander, was de koning zo uitzinnig van verdriet dat hij een campagne voerde tegen een nomadenvolk en daarvan vervolgens alle mannen afslachtte bij wijze van 'dodenoffer voor Hephaestion'. Was Alexander de man die de Griekse beschaving naar het Oosten bracht? Een visionair die van alle mensen zo niet broeders, dan toch wereldburgers wilde maken? Of was hij de paranoïde machtswellusteling die tot op de dag van vandaag in Iran 'Iskander de Vervloekte' heet? In de twintigste eeuw is het beeld sterk verschoven van de eerste naar de tweede mogelijkheid, maar eigenlijk weten we het niet meer. Zoals Paul Cartledge terecht opmerkt in zijn boek: Alexander de Grote is een raadsel en een paradox. Dat was hij in de Oudheid al, dat is hij nu, en dat zal hij in de toekomst blijven. Tenzij we naar andere bronnen leren grijpen. Het aardigste van de drie recente Alexanderboeken vind ik dat van Jona Lendering. Deze oudheidkundige heeft zich niet alleen vertrouwd gemaakt met het oude Griekenland, maar ook met de culturen van het Nabije en Midden-Oosten. Als enige van de drie auteurs is hij Alexander over een afstand van ruim 12.000 kilometer nagereisd. Zijn drijfveer is verbazing over het feit dat Alexander en diens tocht door Azië tot nu toe uitsluitend zijn bestudeerd in Griekse bronnen en vanuit een westers perspectief, terwijl we toch in toenemende mate beschikken over Perzische bronnen, waaronder Babylonische kleitabletten waarop een kroniek van Alexanders optreden is geboekstaafd. Als dat materiaal is ontcijferd, gaan we wellicht meer van Alexander begrijpen. De schrijver hoopt dan ook dat zijn boek snel achterhaald zal zijn, en probeert alvast de ondergang van het Perzische rijk vanuit het perspectief van de Perzen te begrijpen. Lendering volgt het leven van Alexander en zijn veroveringstocht met verrassende vragen, al moet ook hij tot zijn leedwezen volstaan met Griekse en Latijnse schrijvers. Hij heeft een praktisch gerichte belangstelling voor de natuurlijke gesteldheid van het terrein en de omstandigheid van het terrein en de omstandigheden waaronder de enorme legers van Perzen en Macedoniërs moesten reizen. Zo weet hij aannemelijk te maken dat bij het allereerste treffen van de twee legers, aan de rivier de Granikos, Alexander wel degelijk de raad van zijn generaal Parmenion om behoedzaam te opereren, opvolgde. De meeste bronnen beweren dat de koning verontwaardigd verklaarde zich niet door zo'n beekje te laten tegenhouden en dat hij direct ten aanviel ging. Maar een bezoek aan het nauwe Granikos-dal en het nuchtere bekijken van de mogelijkheden ter plaatse, leerden Lendering dat het anders gegaan móet zijn. De oerdegelijke Cambridge-professor Cartledge laat zich hier door de Alexanderpropaganda het zand nog met scheppen in de ogen strooien. Maar soms heeft Lendering, denk ik, ongelijk: als koning Darius zo'n voortreffelijk strateeg was, waarom trok Alexander dan in 334 v.Chr. moeiteloos de Hellespont over, Azië binnen? Bij de laatste, verpletterende slag, bij Gaugamela, was Darius 'de situatie volledig meester en zijn zege leek gegarandeerd'. Mooi. Maar het liep wel faliekant anders af. En Lendering besluit dit hoofdstuk met de aandoenlijke observatie: "Niet de moed van Alexander of de lafheid van Darius, maar de tekens aan de hemel hadden beslist over het Perzische imperium." Toch is dit boek leuk om te lezen, ook omdat de schrijver over een uitstekende pen beschikt. Zijn eindoordeel luidt dat over Alexander en diens despotische wreedheden ('koning in oorlog met zijn vijanden én met zijn getrouwen') vaak zwarter dan zwart geschreven moeten worden. Na lezing vind ik dat oordeel zeer weloverwogen. Dat is anders bij de biografie van de Amerikaan Ian Worthington. Het boek maakt een slordige indruk, maar het is mogelijk dat de vertalers hier schuld aan hebben. Over de zogeheten 'koninklijke pages' wordt gezegd dat zij 'jongelingen (zijn) die de koning van zijn veertiende tot zijn achttiende jaar vergezelden'. Maar hier mag het Macedonisch krijgsherengebruik niet onvermeld blijven om adellijke jongens als gijzelaars rondom de koning te verzamelen, opdat de vaders het wel uit hun hoofd zouden laten in opstand te komen. Op de kaart op p.154 ontbreken de steden Persepolis en Pasargadai, terwijl de kaart er juist is om te laten zien waar die steden liggen. De kaart van de Punjab op p.216 vermeldt alleen de moderne Pakistaanse namen, terwijl in het boek de antieke namen worden gebruikt. Maar het zijn de conclusies van Worthington die het meest teleurstellen: Wat hij beweert over de psychologie (Alexander levenslang in gevecht met de schim van zijn overleden vader) en zijn religieuze perceptie (Alexander zou zichzelf als een god zijn gaan beschouwen) maakt een overtrokken en onbetrouwbare indruk. [Hans Oranje]
Bespreking in Spiegel Historiael 40 (2005)
De Ondergang gaat uitvoeriger in op de inheemse cultuur en geschiedenis van de gebieden die Alexander veroverde. Terecht komt de Perzische koning Dareios III er hier veel positiever uit dan in de traditionele Alexanderhistoriën. Het beschrijft de gebeurtenissen meer van binnen uit. De Biografie is afstandelijker en ook wat traditioneler. Dat is goed te zien aan de manier waarop beide de slag bij Issos (over het verloop waarvan weinig controverse is) beschrijven. De Biografie geeft een uitvoerige beschrijving van de slag bij Gaugamela (en overschat mijns inziens grotelijks de sterkte van de Perzische troepenmacht), waar de Ondergang mijns inziens terecht constateert dat alle beschrijvingen van de slag op mythevorming berusten omdat het ware verloop ervan door stofwolken volledig aan het oog onttrokken is. Dat psychologische factoren (voortekenen) in het nadeel van Dareios werkten, blijkt uit de Babylonische bronnen. Machtspolitiek en de bevestiging van zijn heerschappij bepaalden Alexanders houding jegens zowel zijn nieuwe onderdanen als tegenover de steeds meer tegenstribbelende Grieken en Macedoniërs. Daarbij betoogt de Ondergang dat Alexanders politiek in het uiterste oosten mislukte: in Sogdiana kreeg hij te maken met een guerrilla, in de Punjab en langs de Indus brokkelde zijn gezag, of wat dat geweest was, al tijdens zijn terugtocht naar Babylon achter zijn rug af. Zijn optreden getuigde soms van een wezenlijk gebrek aan begrip voor de inheemse gebruiken en leidde tot verzet. In de Perzische traditie ontstond een beeld van Alexander als de verpersoonlijking van het Kwaad. Een keus maken tussen deze beide boeken is moeilijk. Daarvoor zijn ze qua inhoud te gelijk en qua invalshoek te verschillend. Waarom niet alle twee gelezen, en dan niet na elkaar, maar naast elkaar? [Ed van der Vliet] |
|
|
|
||
|
|
||