<!-- ••• -->
home

Stad in marmer

Jona Lendering, Stad in marmer Jona Lendering, Stad in marmer. Gids voor het antieke Rome aan de hand van tijdgenoten 2002 Athenaeum Amsterdam; 90.253.3153.x.
 

Bespreking in NRC Handelsblad (22 november 2002)

Gieren boven het Capitool

Hoc est posse, 'Dát is pas rijk zijn!'- riep het Romeinse publiek wanneer de organisator van een gladiatorengevecht zijn duur gekochte zwaardvechters overduidelijk de opdracht had gegeven om door te gaan tot er doden vielen. Het is maar een van de vele weetjes en anekdotes die te vinden zijn in Stad in marmer, een gids voor het antieke Rome die beschrijvingen uit klassieke bronnen afwisselt met commentaar van de oudheidkundige Jona Lendering. De lezer komt onder meer te weten dat de Romeinen van veel heilige plaatsen niet meer wisten waarom ze die vereerden; dat keizer Caligula zijn paard niet in een vlaag van krankzinnigheid tot consul dreigde te benoemen, maar gewoon om de leden van de Senaat te beledigen; en dat de veelgeroemde badhuizen broeinesten van ziektes waren, omdat artsen voor de besmettelijkste kwalen een gezonde onderdompeling voorschreven.

Dat laatste vertelt Lendering niet voor niets. Hij schrijft in zijn voorwoord dat hij anders dan andere reisgidsen niet alleen aandacht heeft voor de kunsthistorische aspecten van het oude Rome; in navolging van de historicus van het dagelijks leven J. Carcopino (die Lendering vreemd genoeg ongenoemd laat) toont hij de stad als de meedogenloze samenleving die ze ook was, inclusief de smerigheid en de ontstellende armoede. Op zijn rondleiding langs de Via Appia, het Capitool, het Forum, de Palatijn, het Colosseum, de keizersfora en het Marsveld passeren we niet alleen de bekende monumenten (anno 200 na Christus), maar ook de hopen stront én de door aaseters aangevreten lijken van misdadigers en zwervers. Varkens fungeerden als 'biobak op poten'  en de christelijke gewoonte om ook arme drommels te begraven 'moet een gevoelige klap zijn geweest voor de Romeinse gierenpopulatie'.

Overzicht van alle recensies
 
Lendering heeft een prettige stijl en veel gevoel voor understatement; zo noemt hij het boerse optreden van twee Friezen op weg naar een keizerlijke audiëntie 'het oudst bekende debacle van de Nederlandse diplomatie' en karakteriseert hij de verhouding tussen de keizerlijke tirannen en hun schijnbaar dankbare onderdanen als 'een massale uiting van het Stockholmsyndroom'. Nog bewonderenswaardiger is zijn keuze uit het antieke bronnenmateriaal: bij ieder plaatsje komt een praatje, of het nu een stukje satire van Juvenalis is of een fragment uit het joodse geschiedenisboek van Flavius Josephus (door Lendering bij wijze van eerbetoon aan de Romeinse multiculturele samenleving aangeduid als Josef ben Mathityahu).

De uitgever heeft goud in handen met Stad in marmer. Hoewel het boek chique is uitgegeven, is het als reisgids onbruikbaar, al was het alleen maar omdat er nauwelijks kaartjes in staan. Herdruk het op een langwerpiger formaat en op lichter papier, lardeer het met duidelijke routebeschrijvingen en detailfoto's van de beroemde maquette van derde-eeuws Rome - en klaar is de beste Romebeschrijving die ooit in Nederland verscheen.

Pieter Steinz


Bespreking in Haarlems Dagblad (6 december 2002)

Stel dat de Romeinen vooral in klei en hout hadden gebouwd. We zouden veel minder van hen weten dan de schat aan informatie waar we - dankzij het marmer - nu. nog over beschikken. Tempels van marmer, theaters en paleizen van marmer, badhuizen van marmer, woonhuizen van marmer en dan nog eens duizenden marmeren beelden, tafels, plaquettes en triomfbogen. Allemaal voorzien van inscripties en afbeeldingen, soms volgestouwd als een stripboek. Onverslijtbaar hebben ze eeuwenlang in de bodem gewacht op archeologen die hen zouden uitgraven, schoonmaken en interpreteren.

Oudheidkundige Jona Lendering voert bezoekers van Rome langs de marmeren getuigen van een beschaving die nog steeds tot de verbeelding spreekt. Hij doet dat aan de hand van authentieke verslagen, die - met een beetje fantasie - zelfs de geluiden van de antieke stad laten herleven. Rumoer op bet forum, gefluister in de catacomben, gejuich tijdens de paardenraces, debatten in de Senaat en gebeden in het Pantheon.

 

Bespreking in De Volkskrant (13 december 2002)

Een lezing zonder dia's

Ruïnes idealiseren bijna altijd de tijd waarvan zij de overblijfselen zijn. Die tijd zelf wordt haast een kunstwerk. In de puinhopen van de Engelse kloosters horen velen nog in de wind door de gaten de zang van een groot koor van monniken, terwijl er, toen ze ontruimd werden, nog enkel wat verkruimelde broeders woonden. De meeste puinhopen van het verleden liggen in Rome, en er is op die resten heel wat geweend om de vergane grootheid - zeker in de achttiende en negentiende eeuw, die de decline and fall het sterkst hebben beleefd. Overal rond de ruïnes wezen de torens en koepels van het christendom, dat de kracht van de Romeinse beschaving had gebroken, naar de hemel, het doel van alle mensen.

Wie de historische werkelijkheid onder het puin vandaan weet te halen, maakt een andere tijd dan de geïdealiseerde zichtbaar, zeker wanneer hij ook nog de contemporaine schrijvers en dichters over stad en leven daar aan het woord laat. Jona Lendering heeft dat gedaan in het boek Stad in marmer - Gids voor het antieke Rome aan de hand van tijdgenoten. (De titel geeft al de eens stralende grootheid aan, aan het einde van het boek is de stad er een in baksteen geworden.) De auteur heeft het zich daarmee erg moeilijk gemaakt, want het puin is een kleine rest; het meeste van het antieke Rome is geheel verdwenen in, onder en achter het latere Rome.

De tijd van de gids is die van de keizers van het Severische huis (193-235); Rome was toen op zijn indrukwekkendst, grote bouwprogramma's waren voltooid, het christendom was nog ondergronds. Aan het begin van de rondleiding laat de auteur een geschiedenis van Rome - ab urbe condita - voorafgaan. Dan leidt hij ons de stad in. Op dat moment beginnen de moeilijkheden. De schrijver moet in taal oproepen wat er niet of nauwelijks meer is; de lezer die misschien het huidige Rome enigszins kent, moet zich in die stad een denkbeeldige gaan denken en zich de belangrijkste gebouwen gaan voorstellen.

Hij krijgt nauwkeurige beschrijvingen van tempels en andere gebouwen, maar die zijn zonder illustratiemateriaal niet voorstelbaar. Het boek is voor een belangrijk deel een heel goede lezing van een groot kenner die zijn dia's heeft vergeten. Dat gemis is daarom zo groot, omdat de auteur vaak bewonderenswaardig gedetailleerd is. Hij kent alle uitgesleten of verdwenen dorpels en drempels.

In de beschrijvingen van straten en gebouwen krijgen we heel veel informatie over de economische en sociale toestanden in de tijd; iets van het dagelijks leven, in zijn populaire en rituele kanten, wordt zichtbaar. Op zijn best is de auteur wanneer hij grote gebeurtenissen beschrijft. De vele pagina's over het Colosseum en de daar opgevoerde gruwelijke spelen en moordpartijen zijn zonder meer schitterend. Het gedeelte over de gladiatoren is het hoogtepunt. Uitstekend zijn ook de passages over de joodse wijk, die zeer omvangrijk was - daar moet de eerste prediking van het christendom hebben plaatsgehad -, niet minder die over de Aventijn, de Tiber vooral (hier krijgt men ook een goed beeld van de voedselvoorziening van Rome), de Palatijn en de zeer dicht bevolkte woonwijken waar het volk in woonkazernes - zonder ramen - was gehuisvest.

De beknopte geschiedenis laat het nog eens scherp zien: de Romeinse geschiedenis is er een van oorlogen, ter verovering of ter stabilisatie. De Romeinse geschiedenis is de grootste krijgsgeschiedenis van alle tijden. Elke keer als men daarover leest, wordt het raadsel van de marmeren schittering van de stad en de beschaving ervan groter, van alle bouwprogramma's ook. Het is hetzelfde raadsel dat de geschiedenis van de renaissancepausen oproept: altijd in oorlog, maar intussen verrees het nieuwe Rome dat we nu nog kennen. De hoge beschaving zoals wij die nu uit de literatuur, de beeldende kunst, de architectuur, de organisatie van het rijk aflezen en idealiseren, was echter doortrokken van een ongewone wreedheid en barbaarsheid. De beschrijvingen door tijdgenoten van de spelen zijn vaak zonder meer gruwelijk, van bepaalde gebruiken niet minder. Deze passage komt uit het werk van Gallons van Pargamon, die in de tweede eeuw van onze jaartelling leefde (men dient te weten dat vlees in Rome heel schaars en daardoor ook heel duur was):

Het is bekend dat veel herbergiers en slagers erop zijn betrapt mensenvlees te verkopen als varkensvlees, ofschoon niemand bij het eten ervan enig verschil had opgemerkt. Maar uit betrouwbare bron heb ik vernomen dat er in een of andere herberg een smakelijke jus met de heerlijkste stukken vlees werd opgediend en dat de gasten pas toen ze verzadigd waren, een vingertopje met de nagel er nog aan ontdekten en zich angstig realiseerden dat ze zelf konden worden opgegeten door de mensen in de herberg, die dat immers zo gewend waren. Naar verluidt zijn ze meteen naar buiten gelopen en hebben daar het verteerde voedsel uitgekotst alvorens hun weg te vervolgen. Korte tijd later zouden inderdaad personen in de herberg zijn gesnapt bij het slachten van mensen.
Het zal wel een halve waarheid zijn, maar dat die als een hele kon worden gelezen, zegt veel over de tijd.

Als geschiedenisboek laat Stad in marmer zich grotendeels heel goed lezen. De meer dan driehonderd citaten uit het werk van contemporaine schrijvers maken de geschiedschrijving ook tot het verhaal van ooggetuigen. Met de gids-delen van het boek heb ik alleen maar moeite. De auteur verklaart in het woord vooraf dat deze delen zijn geschreven 'om ter plekke te lezen'. Dat is onmogelijk. De lezer zal niet alleen eerst het hele boek moeten lezen, maar ook nog een meer dan gewone kennis van de oudheid en van Rome in het bijzonder moeten hebben, juist om in of achter wat nu zichtbaar is, de door de auteur beschreven stad te kunnen zien. Een cursus met dia's, bij voorkeur door de auteur zelf, is als inleiding het meest gewenst. Misschien worden dan passages als deze voorstelbaar en dus helder:

Bij de Junotempel kom men van het Capitool afdalen naar het Forum Romanum. De trap, die er nog steeds is, stond bekend als de Scalae Gemoniae ofwel Trap der Zuchten, want het eerste bouwwerk dat men bereikte was de gevangenis. Volgens een middeleeuwse legende behoorden ook de apostelen Petrus en Paulus tot de gevangenen, en daarom is een deel van het naargeestige gebouw ingericht als kapel, waarboven later de S. Giuseppe dei Falegnami is gebouwd.
Zijn er veel van deze passages, dan voel je je verloren in een onbekende stad zonder gids.

Kees Fens

meer recensies
 home