<!-- ••• -->
home

Stad in marmer

Jona Lendering, Stad in marmer Jona Lendering, Stad in marmer. Gids voor het antieke Rome aan de hand van tijdgenoten 2002 Athenaeum Amsterdam; 90.253.3153.x.
 

Bespreking in Hermeneus 75/1 (2003)

Eind 2001 verscheen een nieuwe gids voor Rome van de hand van Jona Lendering. Op de achterzijde van het boek wordt als informatie over de auteur vermeld dat hij oudheidkundige is en onder andere cursussen over mediterrane geschiedenis voor de Vrije Universiteit verzorgt. De paperback van zo'n 349 pagina's ligt prettig in de hand. De fraaie omslag trok als eerste mijn aandacht, en vooral de voor- en achterflappen, waarop van tien van de meest voorkomende antieke marmersoorten een foto is afgebeeld met een korte omschrijving. Zo krijgt de titel Stad in marmer meteen een herkenbare dimensie. De keuze en afbeeldingen van de marmers kwamen me evenwel bekend voor. Een blik in Filippo Coarelli's inmiddels al bijna dertig jaar oude Guida archeologica di Roma (uitg. Mondadori, Verona 1975) wees uit, dat de daar op pp. 338-340 afgebeelde tien marmersoorten identiek waren, sterker nog, dat de afbeeldingen bij Lendering fragmenten van precies dezelfde foto's zijn. De auteur vermeldt (p. 328) dat hij aan het desbetreffende boek inderdaad veel heeft gehad.

Wat is verder Lenderings opzet en hoe vertaalt deze zich in de indeling van het boek en de erin behandelde onderwerpen? Blijkens door uitgever Athenaeum - Polak & Van Gennep toegestuurde persinformatie wil de auteur de volgende vragen beantwoorden: Hoe zag het dagelijks leven in het oude Rome eruit? Waar woonden en werkten de Romeinen?, enzovoort. Lendering zelf gaat in de eerste alinea's van zijn Woord vooraf schrijvend over de antieke Romeinse stadsbevolking al een flinke stap verder en zet de toon:

...Velen leden honger en ieders dieet was deficiënt. Een dertigjarige zag slecht en miste bijna al zijn tanden. De dood lag voortdurend op de loer en de kindersterfte was hoog...
Zoals gezegd wordt Rome beschreven - zoveel mogelijk althans - aan de hand van de bewoners van de oude stad zelf. Daarbij concentreert hij zich zoveel mogelijk op één tijdvak. Dat laatste is het Severische Rome, de tijd van de keizers Septimius Severus, Caracalla, Heliogabalus en Severus Alexander (193-235 n.Chr.), waarbij ik de zeer korte regeringen van Geta en Macrinus maar oversla. Lendering verantwoordt zijn keus als volgt:
de hoofdstad ... was toen op zijn grootst en ... mooist; de bouwprogramma's van de keizers Domitianus en Trajanus waren afgerond en de bouw van de christelijke kerken ... moest nog beginnen...
De antieke teksten die Lendering citeert vult hij aan en contrasteert hij (zijn eigen woorden) met archeologisch materiaal. Naast een grote plattegrond van Rome op pp.346-7 zijn er deelkaarten van o.a. de Palatijn, Forum Romanum en keizerfora en het Gouden Huis. Verdere illustraties bestaan uit tekeningen en foto's van reliefs, munten en enkele gebouwen.

De vijf hoofdstukken over het Severische Rome worden voorafgegaan door twee meer historisch getinte onderdelen, waarin de auteur achtereenvolgens Koningstijd en Republiek (pp.11-64) en de Keizertijd (pp. 64-97) bespreekt; deze laatste periode loopt in het boek inderdaad tot en met Severus Alexander. Een afsluitend hoofdstuk van het boek is getiteld Wedergeboorte (pp.312-321). Hierin worden de welvaart van Romein de late Oudheid en de vervalperiode erna besproken, met vooral aandacht voor de 3de eeuw en de tijd van Constantijn de Grote. Drie appendices volgen, gewijd aan achtereenvolgens de obelisken van Rome, de soorten natuursteen (met enkele verwijzingen naar de al genoemde marmers) en een lijst van keizers, voor de volledigheid ook met de belangrijkste uit de 3de-5de eeuw.

In alle hoofdstukken staan zoals gezegd de bewoners zelf centraal. waarbij de auteur hun aan het woord laat door middel van reeds bestaande en mooie Nederlandse vertalingen (aldus de auteur op p.328). Velen uit de lange lijst van gebruikte vertalers zijn de lezers van Hermeneus goed bekend, zoals Hetty van Rooijen, Frans van Dooren of Vincent Hunink. Daarnaast zijn door o.a. Caroline Fisser, Hein van Dolen en Jona Lendering zelf vertalingen voor dit boek gemaakt. De verwijzingen achter in het boek naar de geciteerde antieke auteurs zijn uitvoerig en, voorzover ik deze heb gecontroleerd, correct. Daarbij doet zich echter meteen een probleem voor dat Lendering zelf ook heeft voorzien Maar met zijn oplossing ervan ben ik bepaald niet tevreden. Wat is het geval? De antieke auteurs zijn op de gangbare wijze afgekort en een cijfer erachter verwijst naar de lijst van vertalingen. Geen probleem als het om Tac., Ann. gaat, waarbij de lezer terechtkomt bij Marinus Wes' vertaling van Tacitus, hoofdstukken over Claudius en Nero. Maar wat moet een lezer zich voorstellen bij FGrH, als hij vervolgens terechtkomt bij nr. 25, Plutarchus, Grondvesters van Athene en Rome in de vertaling van Coen Stibbe uit 1964? Lendering zelf zegt erover (op p. 330):

... ik neem niet aan dat veel bezoekers van Rome de hiernavolgende noten zullen raadplegen,
en verwijst diegenen die dat tóch willen naar een 322 pp. eerder genoemde website.

Welke wijken en bouwwerken van Rome worden ons opgevoerd, aan de hand van de bewoners zelf? Ten eerste het zuiden en westen, met o.a. Via Appia, de thermen van Caracalla, Circus Maximus, Porta Capena, de Tiber en Trastevere, min of meer samenvallend met de antieke Regionen I en XI t/m XIV. In de volgende drie worden achtereenvolgens Forum Romanum, Velia en Palatijn, Colosseum en Keizerfora besproken. De omvang valt samen met die van Regionen VIII en X, en deels van III en IV. Tenslotte komt het noordwesten in het vijfde hoofdstuk aan bod, met - zoals verwacht - uitgebreide aandacht voor het Marsveld (Reg. IX). Door deze opsomming van Regionen wil ik meteen een manco van het boek aangeven. Ik zocht er vergeefs naar het oosten, en noordoosten, oftewel globaal de Regionen II en V t/m VII. Die waren toch niet geheel leeg?

Ik som, zij het lang niet volledig, op wat ik zoal miste aan voor het moderne publiek toegankelijke en boeiende gebouwen die, geheel in de gedachte van de auteur, het dagelijks leven treffend kunnen illustreren. Reg. II bevat grotendeels de Caeliusheuvel. waar al kort na 200 n.Chr., oftewel midden in de Severische tijd, langs de Clivus Scauri een aantal winkels met bovenliggende appartementen verrees, boven en naast een klein Flavisch badhuis. Deze huizen onder SS., Giovanni e Paolo, zoals ze bekend staan, zijn na een instorting en de daaropvolgende restauratie nu weer toegankelijk. De ruimtes doorlopend krijg je er een goed beeld van het dagelijks leven in de vroege 3de eeuw n.Chr. In Reg. IV, die in dit boek grotendeels wél behandeld hordt, ligt ook de S. Pudenziana, onder welke kerk woonhuizen en thermen (van Novatius) uit de 2de eeuw n.Chr. nog steeds te zien zijn. Op de grens van Regionen III en V ligt het zogenaamde Auditorium van Maecenas uit de 1ste eeuw v.Chr., en in Reg. V ten oosten van de Republikeinse stadsmuur strekten zich de grote keizerlijke tuinen uit. In de laatste regio noemt Lendering wél Porta Maggiore en de kazernes onder de basiliek Sint-Jan van Lateranen. Daarentegen niet het aardige, in bouw volop Severische, Amphitheatrum Castrense bij de paleiskerk S. Croce in Gerusalemme. En weer wel de bijbehorende Circus van Heliogabalus, die beter bekend staat als de Circus Varianus. Maar de resten van die renbaan zijn nauwelijks zichtbaar in de bebouwing rond Piazza Lodi. Renbaan, amfitheater en paleis vormden, zoals zo vaak in de 3de eeuw en later, één complex. Waarom dan maar een deel vermeld?

Ook met de opvattingen van de auteur over het antieke Rome heb ik moeite. Enkele heb ik bovenaan geciteerd. Er komt voor mij uit een aantal opmerkingen in dit boek een grote, vuile, stinkende, onveilige en continu door epidemieën geteisterde stad naar voren, wier constant hongerige bevolking in de traditie van de meest vreselijke moderne derdewereldsteden haar korte leven lijdt - en zeker niet leidt - in afzichtelijke woonkazernes vol brand- en instortingsgevaar. Was dat nou alles wat Rome ons te bieden heeft? Lendering bespreekt vervolgens uitgebreid een aantal monumenten en andere bouwsels in de stad, dus hij moet er toch iets van waarde en/of schoonheid in gezien hebben.

In Hermeneus 74, 3 (2001) besprak ik een viertal nieuwe Romeboeken. Wat zou nu de status van het onderhavige boek naast die vier zijn? Een status aparte, zoveel is zeker. Het beeld van Rome dat Lendering de lezer die de stad (nog) niet kent voorschotelt is weinig in evenwicht. Hij zegt (op p.7):

Wie kennismaakt met de oude Romeinen wordt geconfronteerd met een van de meest meedogenloze samenlevingen uit de wereldgeschiedenis. Deze confrontatie wordt echter vermeden in de meeste reisgidsen. Dat is eigen aan het genre, dat immers eerder kunsthistorisch is dan sociologisch...
Verderop spreekt hij over de geruststellende lectuur die de reisgidsen hun gebruikers voorschotelen:
het verleden wordt er gereduceerd tot de tijd waarin allerlei moois is vervaardigd ...en ons wereldbeeld wordt niet gecontrasteerd met dat van een andere samenleving.
Wij moeten ervoor waken, zo vervolgt hij, om honderden kilometers te reizen en terug te kleren zonder ook maar één vooroordeel te zijn kwijtgeraakt.

Een korte rondgang langs enkele niet klassiek geschoolde mensen leerde mij, dat Lenderings beeld van het antieke Rome nou juist het hunne is: vuil, onveilig, slachtpartijen in het amfitheater en constant grote branden. Hoezo vooroordelen? Mogen we er niet trots op zijn dat tenminste één oude wereldstad voldoende en aangenaam drinkwater had, dat je er dagelijks voor bijna niets een bad kon krijgen, dat er wc's en een goed werkende riolering ter beschikking waren, dat je regelmatig graan of meel kreeg om brood mee te (laten) bakken als je het zelf niet kon betalen? Menig 19de-eeuwse Amsterdammer had hun erom benijd.

Thea L. Heres


Bespreking in Katholiek Nieuwsblad 31 januari 2003

In dit reisnummer van Katholiek Nieuwsblad mag een reisgids van Rome niet ontbreken. Maar dit is een bijzondere. Het is een gids voor het antieke Rome, het Rome van de apostelen en martelaren, beschreven aan de hand van tijdgenoten. Niet geschikt om mee de stad in te nemen, maar wel om 's avonds op je hotelkamer uit je koffer te halen en bij een wijntje wat in te grasduinen, zodat er wat reliëf ontstaat in de overvloed aan monumenten die je de volgende dag zult zien.

Tal van wetenswaardigheden, overbekende en minder bekende bezienswaardigheden met een overvloed aan literaire citaten. Zo krijgen we bijvoorbeeld een overzicht van wie waar zat in het Colosseum en geeft de auteur ons een idee van wat het was om over het Forum Romanum te lopen (als "op de Brusselse Grote Markt: een groot plein dat klein lijkt doordat de omliggende gebouwen zo hoog zijn").

Bij uw recensent nam hij het misverstand weg dat het Pantheon een tempel voor alle goden zou was. Het schijnt een verbeelding van het firmament van Plato te zijn: vandaar het rare gat in het dak, de ontsnappingsweg naar het hiernamaals.

Henk Rijkers

Overzicht van alle recensies
   
meer recensies
 home