home

Oorlogsmist

Jona Lendering, Oorlogsmist
Jona Lendering, Oorlogsmist. Veldslagen en propaganda uit de Oudheid. (2006 Athenaeum - Polak & Van Gennep, Amsterdam) 90.253.3155.6.
 

Bespreking in De Groene Amsterdammer (3 februari 2007)

De oorlogvoering van vandaag is niet zoveel anders dan die in de Oudheid. Wie de veldtochten van de Amerikanen in Vietnam, Somalië, Afghanistan en Irak bekijkt, moet vaststellen dat er weinig vorderingen zijn gemaakt sinds Xerxes, Alexander, Hannibal en Attila.

Oorlogsmist

In Sophokles' tragedie Ajax raakt een opgefokte krijgsheer na een conflict over een eerbewijs zo buiten zinnen dat hij in blinde razernij een kudde schapen af afslacht, in de veronderstelling dat het zijn rivalen betreft. Wanneer hij de volgende dag tot zijn positieven komt en zich realiseert hoe ver hij is gegaan, maakt hij een einde aan zijn leven. In de voorstelling waarmee het Noord Nederlands Toneel het afgelopen jaar langs de zalen trok, werd het koor gespeeld door een viertal oorlogsveteranen, lichtelijk onhandige mannen die ook intensief betrokken waren geweest bij de totstandkoming van deze Ajax. Halverwege de voorstelling werden op de achterwand van het toneel videobeelden geprojecteerd waarin de oud-strijders heftig geëmotioneerd over hun ervaringen te velde vertelden.

Voor de meesten van ons is oorlog een vreemd gebeuren dat we slechts kennen uit verhalen, uit de krant, van televisie of films. De wereldgeschiedenis overziend moeten we vaststellen dat dat een atypische situatie is. Oorlog, op welke schaal ook, vormt al duizenden jaren een integraal onderdeel van de menselijke ervaring. Het gewapend conflict is de regel, vrede de uitzondering. Dit is des te merkwaardiger als je bedenkt wat gevechtshandelingen met mensen doen. Om de oudhistoricus Jona Lendering te citeren:

Een veldslag is een fysiek en psychisch uitputtende chaos die niemand lang kan volhouden. Een frontsoldaat is vooral angstig en zijn lichaam bereidt zich voor op vluchten of vechten. Daartoe concentreert het bloed zich waar het nodig is: in benen en armen, bij het door een adrenalinestoot gejaagd kloppende hart en in de snel werkende longen. Deze pompen zuurstof en glucose naar de gespannen spieren en de hersenen, die koortsachtig de waarnemingen door de verwijde pupillen trachten te ordenen. De soldaat is hypergeconcentreerd, wat wil zeggen dat de hersenen alleen indrukken selecteren die duiden op dreiging: zaken die bewegen. De rest wordt genegeerd.
Deze fysiologische toestand moet slopend zijn, al kun je je voorstellen dat soldaten een in onbeheersbare roes geraken die hen ertoe aanzet zo veel mogelijk dood en verderf te zaaien. Omdat we van nature echter niet alleen moordlustig zijn, maar ook het vermogen tot inleving bezitten, doet het doden onvermijdelijk ook een aanslag op het moreel besef. Misschien is doden opwindend, gedood hebben vervult met walging, het verliezen van strijdmakkers leidt tot verdriet en wraakzucht, die op hun beurt de motor achter menig conflict worden.

In de wereldliteratuur wemelt het van gedichten, liederen, geschiedwerken en romans die de frontervaring onder woorden pogen te brengen. De bijbel en de Ilias, de Peloponnesische oorlog van Thoukydides, het Nibelungenlied en Oorlog en vrede, recentelijk A Long Long Way van Sebastian Barry - in al die boeken worden de verschrikkingen van het vechten breed uitgemeten. Zelfs een door en door propagandistisch geschrift als De Gallische oorlog van Julius Caesar, die zichzelf onbeschaamd als de grote held neerzet, ontkomt er niet aan de veldslag als een chaotisch inferno te schetsen. Interessant is bijvoorbeeld de langste volzin uit dat boek:

Toen Caesar, na het aansporen van het tiende legioen naar de rechtervleugel vertrokken, zag dat de zijnen in het nauw werden verdreven en, doordat alle veldtekenen van het twaalfde legioen op één plaats samengebracht waren, de soldaten zo dicht opeen stonden dat ze elkaar in het vechten belemmerden, terwijl alle centurio's van het vierde cohort, alsmede de vaandrig waren gedood en het veldteken verloren was, en van de overige cohorten bijna alle centurio's gewond of gedood waren, onder wie met name de oppercenturio Publius Sextius Baculus, een uitermate dapper man, door vele ernstige wonden zo gebroken was dat hij zich niet meer staande kon houden, en toen hij zag dat de anderen te traag waren, dat sommigen uit de achterhoede het slagveld verlieten en buiten het schootsveld probeerden te komen, dat de vijanden niet ophielden aan de voorzijde vanaf hun lager gelegen posities naar boven te komen en aan beide flanken opdrongen, ja toen hij zag dat de situatie kritiek was en dat er geen reserve-eenheid meer was die hij te hulp kon sturen, ontrukte hij, omdat hij daar zelf zonder schild was gekomen, een soldaat van de achterhoede zijn schild, snelde hij naar de voorste gelederen, en nadat hij de centurio's bij hun naam had geroepen en de overige soldaten had aangespoord, beval hij voorwaarts te marcheren wan wat minder dicht op elkaar te gaan staan, zodat ze hun zwaarden gemakkelijker zouden kunnen gebruiken.
De onhanteerbare lengte van de zin illustreert de penibele situatie waarin de Romeinen verkeerden. Niettemin suggereert Caesar dat hij zelfs onder die omstandigheden het overzicht over het slagveld behield, hetgeen hem ertoe in staat stelde de zaak ten goede te keren. Dat het werkelijk zo is gegaan, valt echter te betwijfelen. Hoe kon Caesar, zonder moderne zichtapparatuur en communicatiemiddelen, de bewegingen van tienduizenden soldaten in de gaten houden? En hoe konden al die Romeinen zelfvertrouwen ontlenen aan het feit dat hun geniale veldheer persoonlijk in de voorste gelederen meevocht, terwijl hoogstens een man of honderd dat hadden kunnen waarnemen?

In zijn lijvige studie over oorlogvoering in de Oudheid heeft Jona Lendering tal van dergelijke situaties geanalyseerd. Lendering heeft menigmaal bewezen een historicus met een brede visie te zijn. Benutte hij in zijn boek over Alexander de Grote niet alleen Griekse en Romeinse, maar ook Perzische bronnen, ook in Oorlogsmist beperkt hij zich niet tot de geijkte klassieken. Lendering stelt dat de periode tussen 800 voor Christus en 500 na Christus ten aanzien van de militaire geschiedenis een eenheid vormt. In zijn optiek behoren de grote rijken van het Nabije Oosten evengoed tot de Oude Geschiedenis als Sparta, Athene, Rome en Carthago. Vandaar dat hij er niet voor terugdeinst Assyrische kleitabletten, Perzische reliëfs en Hebreeuwse kronieken te interpreteren. Feilloos toont hij de tegenstrijdigheden aan in de weergaven van beroemde veldslagen als Thermopylai (Perzen tegen Spartanen, 480 v.Chr.), Cannae (Carthagers tegen Romeinen, 216 v.Chr.), Hadrianopolis (Visigoten tegen Romeinen, 378 n.Chr.) en Châlons-sur-Marne, beter bekend als de slag op de Catalaunische Velden (Hunnen en Ostrogoten tegen Visigoten en Romeinen, 451 na Chr.).

Die tegenstrijdigheden komen niet zelden voort uit de combinatie van verschillende ooggetuigenverslagen. Wie op de linkerflank staat opgesteld, zal het gevecht immers totaal anders waarnemen dan wie aan de rechterzijde strijdt, bovendien heeft iedereen er belang bij de verrichtingen van zijn eigen partij of legeronderdeel in een zo positief mogelijk daglicht te stellen. Dat geldt a fortiori voor generaals die met een overwinning politiek gewin beogen, terwijl ook de meeste schrijvers er verborgen agenda's op nahouden, die vaak ideologisch van karakter zijn. Vrijwel niemand blijkt er belang bij te hebben onomwonden te verklaren dat oorlog een zinloos, onbeheersbaar en weerzinwekkend bedrijf is.

Vreemd genoeg is dat nog steeds niet veranderd. Hoewel de oorlogvoering in die zin gemoderniseerd is dat de precisie van bombardementen tegenwoordig wordt aangeduid met het onheilspellend epitethon 'chirurgisch', blijken ook de best toegeruste legers niet in staat zelfs bij benadering te voorspellen welk effect hun acties zullen sorteren. Wie de veldtochten van de Amerikanen in Vietnam, Somalië, Afghanistan en Irak bekijkt, kan niet anders dan vaststellen dat er weinig vorderingen zijn gemaakt sinds het optreden van Xerxes, Alexander, Hannibal en Attila. Ook de geschiedschrijving van recente oorlogen is nog even gekleurd als tweeduizend jaar geleden, getuige de - soms begrijpelijke - censuur van journalisten in Afghanistan.

Het boek van Lendering is leerzaam en ontluisterend, maar beantwoordt, ondanks de formidabele omvang, niet alle vragen die erdoor worden opgeroepen. Dat veldslagen letterlijk onvoorstelbaar zijn en daarom nooit objectief worden naverteld, is evident. Na de hierboven geciteerde beschrijving van de fysiologische verschijnselen zou het boeiend geweest zijn als Lendering nader ingegaan was op de beleving van de individuele soldaten. Ik weet niet of de bronnen er iets over zeggen, maar ik zou graag weten op het posttraumatisch-stresssyndroom ook in de Oudheid al bestond. Was doden toen zo gewoon dat men er na afloop nooit wakker van lag? Wogen roem en eer zo veel zwaarder dan innerlijke beschaving en empathisch vermogen dat een gewonnen strijd louter blijdschap opleverde?

De voorstelling van Ajax zou in dat opzicht wel eens misleidend kunnen zijn. Wat bij Sophokles' Ajax de stoppen doet doorslaan, is immers niet de spanning van de veldslag, de waanzin van bloeddorst, doodsangst of walging. Bij Ajax gaat het om zelfrespect, dat juist gebaseerd is op het afslachten van zoveel mogelijk vijanden. Niet deelnemers aan Nederlandse vredesmissies vormen de meest voor de hand liggende parallel met Ajax, maar islamitische zelfmoordterroristen, fanatieke Hutu's en slagers als Radko Mladic.

De belangrijkste verdienste van Lenderings boek is in elk geval dat je na lezing ieder weergave van welke oorlogshandeling dan ook met extra wantrouwen beziet, of ze nu geschreven is door Titus Livius of een journalist van een Europese kwaliteitskrant. Lendering schrijft: 'Vanzelfsprekend zijn compassie, bewondering en weerzin volkomen acceptabele visies op oorlog, maar ze zijn eenzijdig en verkleuren het uiteindelijke verslag. Versluiering, onvolledigheid en onnauwkeurigheid zijn dus niet alleen het gevolg van propaganda, maar vloeien tevens voort uit de bewustzijnsvernauwing van de krijger, de verwarring aan het front en de menselijke reactie op de dood. Het gebrek aan betrouwbaarheid wordt in de Engelstalige journalistiek wel aangeduid met de metafoor fog of war, "oorlogsmist".'

[Piet Gerbrandy]

>> meer recensies >>

Overzicht van alle recensies
 home