home

Oorlogsmist

Jona Lendering, Oorlogsmist
Jona Lendering, Oorlogsmist. Veldslagen en propaganda uit de Oudheid. (2006 Athenaeum - Polak & Van Gennep, Amsterdam) 90.253.3155.6.
 

Bespreking in Prora 12/1 (januari-maart 2007)

Jona Lendering is geen onbekende meer binnen het gebied van de oude geschiedenis. In 2002 bv. verscheen zijn boek Stad in marmer. Gids voor het antieke Rome aan de hand van tijdgenoten, dat ik al met veel plezier gebruikt heb om een groep studenten door Rome te leiden, en in 2004 kon ik met veel interesse Alexander de Grote. De ondergang van het Perzische rijk lezen, terwijl zijn Engelstalige website Livius.org een schat aan informatie en afbeeldingen bevat. Eind 2006 is nu dus ook zijn boek Oorlogsmist. Veldslagen en propaganda uit de oudheid verschenen, dat op dezelfde leest geschoeid is als zijn vorige boeken: passages uit antieke auteurs in Nederlandse vertaling worden becommentarieerd en aan elkaar geregen tot een boeiend verhaal, waarin de auteur zijn eigen, vaak vernieuwende of controversiële standpunten in verwerkt.

De titel Oorlogsmist verwijst naar het dubbele probleem rond antieke veldslagen waarmee moderne historici geconfronteerd worden. Vooreerst is het binnen de stofwolken en het algemene krijgsgewoel voor een individuele krijger quasi onmogelijk om een overzicht te krijgen van de hele slag, zodat men zich kan afvragen wat de waarde is van de overgeleverde details rond een gevecht en hoe de antieke historiograaf aan zijn informatie is geraakt. De moderne lezer is er zich meestal wel van bewust dat de redevoering van een generaal vóór een slag geen letterlijke weergave is van de in werkelijkheid uitgesproken woorden, maar veeleer verzonnen is door een antieke schrijver die een sfeer wilde creëren en tegelijk zijn eigen retorische talenten wilde demonstreren. Minder verspreid is het besef dat ook de beschrijving van een slag op zich niet steeds zonder kritische zin mag worden aanvaard, zelfs niet als de schrijver er zelf bij aanwezig was. Niet voor niets moest de antieke geschiedschrijver vaak zijn toevlucht zoeken tot uitdrukkingen als 'naar verluidt' of 'men veronderstelt dat' om duidelijk te maken dat hij zelf ook niet helemaal overtuigd is dat de veldslag inderdaad zo verlopen is als zijn bronnen stelden.

Het tweede probleem is dat ook de geschiedschrijver zelf bewust of onbewust 'mist' kan creëren in zijn verhaal en de gebeurtenissen op een andere manier kan voorstellen dan ze ook daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Wanneer een geschiedschrijver tegelijk ook betrokken partij is geweest bij een militaire expeditie, is het niet uit te sluiten dat hij zijn rol niet steeds even objectief zal weergeven en 'propaganda' kan maken voor zijn eigen zaak. Ook latere schrijvers kunnen hun persoonlijke sympathie of antipathie voor de hoofdrolspelers van hun verhaal niet steeds onderdrukken en zullen geneigd zijn om de gebeurtenissen enigszins anders te presenteren dan ze zijn gebeurd. De moderne historicus ziet zich dus geplaatst voor een serieus probleem: wanneer er een reële kans bestaat dat de bronnen die we over een veldslag hebben, niet helemaal te vertrouwen zijn, hoe kunnen we dan achterhalen wat er werkelijk gebeurd is? Mijn persoonlijke oplossing voor dit probleem is vrij pragmatisch: wanneer er geen interne onlogische elementen opduiken in een verhaal en wanneer dat verhaal niet in tegenspraak is met andere bronnen, dan geef ik die antieke bron het voordeel van de twijfel en aanvaard ik zijn versie tot het tegendeel is bewezen. Jona Lendering en andere geleerden hebben evenwel een meer sceptische kijk op dit probleem: wanneer het niet duidelijk is waar de antieke auteur zijn informatie vandaan kan hebben, zijn zij niet geneigd om het verhaal van de bron als waar te aanvaarden. Een frappant voorbeeld is de dood van Leonidas en de driehonderd Spartanen in de slag bij de Thermopylai: omdat er geen Griekse overlevenden waren van de laatste fase van de veldslag, kan niemand weten wat er juist gebeurd is, en Lendering beschouwt Herodotos' verslag dan ook als 'niets meer dan een reconstructie van hoe het zou kunnen zijn verlopen' (p. 56). Op zich is dit standpunt natuurlijk te verdedigen en het is gezond om af en toe na te denken over de fundamenten van onze kennis, maar ik vraag dan wel af in hoeverre we überhaupt nog aan geschiedschrijving over de oudheid kunnen doen wanneer we elke bron hyper-kritisch in vraag stellen.

Ook al telt het boek al meer dan vierhonderd bladzijden, het is natuurlijk onmogelijk om elke veldslag, zeeslag en belegering uit de oudheid in detail te behandelen en Lendering heeft dus een selectie moeten maken, opgesplitst in vijf chronologisch geschikte hoofdstukken. Binnen elk hoofdstuk concentreert hij zich op een aantal oorlogen, maar tegelijkertijd schetst hij de politieke evolutie van de staten die met elkaar in conflict komen, zodat de lezer een quasi doorlopende geschiedenis te lezen krijgt van de 8e eeuw v.C. tot de 5e eeuw n.C. Persoonlijk vind ik het een uitstekende keuze dat hij ook het Nabije oosten in zijn verhaal heeft betrokken, een regio die mijns inziens al te vaak verwaarloosd wordt. In het eerste hoofdstuk trekt Lendering zo een historische lijn van het Neo-Assyrische rijk van de 8e eeuw v.C. over de verwoesting van Nineve in 612 v.C., het Neo-Babylonische rijk en de inname van Egypte door de Perzen in 525 v.C. tot aan de Perzische oorlogen, waar de slagen van Marathon, Thermopylai en Salamis speciale aandacht krijgen. Het tweede hoofdstuk behandelt de Griekse wereld van de 5e-4e eeuw v.C. met veldslagen uit de (aanloop tot) de Peloponnesische oorlog, het gevecht bij Kounaxa uit Xenophon's Anabasis, de slag bij Leuktra uit 371 v.C. en enkele conflicten uit de expeditie van Alexander de Grote en uit de daaropvolgende diadochenoorlogen. In het derde hoofdstuk komt de Romeinse wereld aan bod met oorlogen uit de 3e-1e eeuw v.C., van de slag tegen de Samnieten bij Sentinum in 295 v.C. tot de zeeslag bij Aktion van 31 v.C.; speciale aandacht gaat hierbij naar de drie Punische oorlogen. Het vierde hoofdstuk behandelt een aantal opstanden en militaire conflicten uit de vroege keizertijd zoals de slag in de Teutoburger 'saltus' (dat Lendering liever vertaalt als 'engte' in plaats van het meer traditionele 'woud'), de revolte van de Friezen in 28 n.C., de Joodse opstanden van 67-70 en 132-136 n.C. en de militaire expedities van Septimius Severus. In het vijfde en laatste hoofdstuk komen de 3e-5e eeuw n.C. aan bod met de strijd tegen de Sassanieden, de Goten en de Hunnen.

De diversiteit van de behandelde onderwerpen is enorm, en ik geef graag toe dat ik heel wat heb bijgeleerd uit dit boek. Lenderings vertrouwdheid met al die verschillende bronnen is indrukwekkend, hoewel ik het niet altijd eens ben met de door hem voorgestelde interpretatie van de historische gebeurtenissen. Lendering verweeft zijn eigen inzichten overigens steeds in zijn verhaal zonder expliciet aan te duiden dat hij zo in discussie treedt met andere moderne auteurs. Dit verhoogt natuurlijk de leesbaarheid, maar het is in dit opzicht misschien wel jammer dat het voor een lezer die minder vertrouwd is met de oudheid, niet altijd duidelijk zal zijn in welke mate hij kennis maakt met Lenderings versie van de feiten en niet met de meer 'traditionele' visie op het gebeuren. Ook Lendering zelf ontsnapt dus niet aan het probleem van de oorlogsmist.

Herbert Verreth

>> meer recensies >>

Overzicht van alle recensies
 home