|
Jona Lendering, Vergeten erfenis. Oosterse wortels van de westerse cultuur (2009 Athenaeum -
Polak &
Van Gennep, Amsterdam) 978.90.253.6404.5.
Bespreking in
het NRC Handelsblad
(29 mei 2009)
-
Jona Lendering, Vergeten erfenis. Oosterse wortels van de westerse cultuur
- Jonathan Lyons, The House of Wisdom. How the Arabs Transformed Western Civilization
Historicus Jona Lendering is bekend als auteur van een reisgids voor het antieke Rome, en van een biografie van Alexander de Grote die niet alleen op Griekse maar ook op Babylonische en Perzische bronnen is gebaseerd. In zijn boek Vergeten erfenis
betoogt hij dat de hedendaagse westerse cultuur zijn wortels niet
uitsluitend in de klassieke Griekse en Latijnse oudheid heeft, maar ook
in de Arabisch-islamitische beschaving, en in oudere Babylonische en
andere Midden-Oosterse beschavingen.
Zo bestrijdt hij onder meer dat de moderne westerse democratie
en wetenschappelijke rationaliteit exclusieve en rechtstreekse
erfstukken van het antieke Griekenland zijn. Dat is nogal wat. Heeft
hij gelijk, dan is het hoog tijd om ons hoger onderwijs onder de loep,
of op de schoffel, te nemen. Vooral het gymnasium stoelt immers op
precies die verheerlijking van de Grieken en Romeinen die Lendering ter
discussie stelt.
Eén ding klopt er niet aan Lenderings boek: de titel. De
Arabisch-islamitische erfenis waar hij op doelt is niet vergeten maar
omstreden. Lang is de Arabische beschaving aangezien voor een
opslagplaats van het Griekse erfgoed, dat in de Renaissance in
West-Europa terugkwam. Zelfs die beperkte rol is recent in twijfel
getrokken, om overduidelijk politieke redenen. In plaats daarvan wordt
nu door sommigen betoogd dat de antiek-Griekse wetenschappelijke kennis
vooral via Byzantium tot West-Europa zou zijn doorgedrongen.
Problematisch aan deze visie is dat ze de Byzantijnse vervolgingen van
oosterse christenen en heidense filosofen verdonkeremaant. Zo was het
de Byzantijnse keizer Justinianus die in 529 de Platonistische school van Athene sloot. In zijn invloedrijke Greek Science, Arabic Culture
heeft arabist Dimitri Gutas aannemelijk gemaakt dat het juist deze
Byzantijnse breuk met de heidense Griekse oudheid was die de vroege
islamitische heersers in Bagdad aanspoorde zich te presenteren als de
ware erfgenamen van het antieke Griekenland.
In Gutas' optiek waren de Arabische vertalingen van Griekse teksten
deel van een welbewuste cultuurpolitiek van de vroege islamitische
kaliefen. Ook andere wetenschapshistorici wijzen op het belang van de
islamitische wetenschappelijke traditie. Zo beschrijft de
wetenschapshistoricus George Salibe in Islamic Science and the Making of the European Renaissance
dat Copernicus' model van de planeten wiskundig identiek is aan, en
hoogstwaarschijnlijk geïnspireerd is op het werk van
moslimgeleerden als Ibn al-Shatir, Mu'ayyed al-Din Urdi en Nasir al-Din
Tusi. Het cruciale verschil is natuurlijk dat Copernicus niet de aarde
maar de zon als middelpunt van de kosmos laat fungeren.
Het werk van Gutas, Saliba en de andere - relatief schaarse -
wetenschapshistorici die zich met deze materie bezighouden, verdient
meer bekendheid bij een groter publiek. In die behoefte voorziet The
House of Wisdom van de Amerikaanse journalist Jonathan Lyons in
belangrijke mate. Doordat hij veel van de bestaande specialistische
kennis en nieuwe inzichten naast elkaar zet, zie je goed hoeveel
vernieuwend wetenschappelijk werk islamitische geleerden verrichtten,
en hoeveel het vroeg-moderne Europa daaraan te danken heeft.
Onder veel meer passeren het pionierswerk van al-Khwarizmi in de
algebra en van Razi en Avicenna in de medicijnen de revue, allerminst
slaafse volgers van Griekse voorgangers. Integendeel, op basis van hun
eigen observaties lieten Avicenna en Razi zich kritisch uit over Galenus,
de hoogste medische autoriteit. In islamitisch Spanje begon een ware
revolte tehen het invloedrijke kosmologische model van Ptolemaeus.
En passant, en in navolging van Gutas en Saliba, prikt Lyons ook de
mythe door dat de islamitische wetenschappelijke cultuur vanaf de 11de
eeuw zou zijn gestagneerd.
In de loop der eeuwen is ook veel van deze kennis tot West-Europa
doorgedrongen. Het waren de Arabische vertalingen van Aristoteles en
andere Grieken, maar ook nieuwe werken van moslims, die na de val van
Toledo in 1085 in het Latijn werden vertaald, en die geleid hebben tot
wat wel de 'Renaissance van de Twaalfde Eeuw' is genoemd: de
plotselinge filosofische en wetenschappelijke opbloei in het Europa van
de hoge Middeleeuwen. Tot lang daarna bleef het werk van islamitische
geleerden nog in hoog aanzien staan: nog in vroeg modern Europa werd
Avicenna's Canon der medicijnen gebruikt als handboek.
Ook Vergeten erfenis
vestigt de aandacht op dergelijke sporen uit de Arabisch-islamitische
beschaving die het wijdverbreide zelfbeeld van een joods-christelijke
traditie en een ononderbroken continuïteit met de Griekse en
Romeinse beschaving ondermijnen. Meer dan Lyons heeft Lendering ook
aandacht voor de geesteswetenschappen; ook is zijn insteek wat anders:
hij beschrijft niet alleen islamitische invloeden op wetenschappelijke
ideeën, maar ook op instituties van onderwijs en rechtspraak. Het
zijn dergelijke institutionele invloeden die duidelijk maken dat het
moderne Europa dichter bij de Middeleeuwse islamitische wereld staat
dan bij het klassieke Athene.
Wellicht het meest tot de verbeelding sprekende voorbeeld is Lenderings
suggestie dat die prototypische Europese instantie van hoger onderwijs,
de universiteit, verregaande overeenkomsten vertoont met, en
waarschijnlijk zelfs is gemodelleerd op, de madrasa, het nieuwe type
islamitische hogeschool dat zich in de 11de eeuw ontwikkelde. Beide
zijn autonome, niet-feodale instanties die aanvankelijk een nadruk
legden op de studie van rechten; beide hebben ook een apart systeem van
diploma's of doctoraten, dat onafhankelijk is van het gezag van vorsten
en kerkelijke autoriteiten. De suggestie dat de universiteit
gemodelleerd is op de madrasa is aannemelijk, maar ook niet meer dan
dat. Sluitend historisch bewijs van vormende contacten, en van de
kanalen waarlangs die contacten hebben gelopen, is er nog niet.
Desondanks stelt Lendering terecht dat je zulke verregaande parallellen
niet kunt negeren of afdoen als toeval.
Maar anders dan de titel doet vermoeden is Vergeten erfenis
niet primair een geschiedenis van Arabisch-islamitische en
Mesopotamische invloeden op de Europese wetenschappen. Lenderings
hoofdonderwerp is minder de verkenning van dit erfgoed dan de
cultuurgeschiedenis van het Europese hoger onderwijs,, en vooral de
veranderende plaats van de Griekse en Latijnse taal daarin. Dat maakt
zijn boek des te interessanter voor hedendaagse discussies over de
toekomst van het gymnasium, de nationale historische canon, en de
plaats van de geesteswetenschappen op de universiteiten.
Eén hoofdstuk ontbreekt echter aan Lenderings betoog: het
verhaal hoe de klassiek-Griekse oudheid sinds de 19de eeuw in dienst is
gesteld aan de moderne seculiere natiestaat. De naam die hier altijd
wordt genoemd is die van Wilhelm von Humboldt, die zowel de moderne
universiteit als het hedendaagse gymnasium gestalte heeft gegeven.
Lendering noemt Humboldts hervormingen kort, maar is te voorzichtig met
zijn conclusies. Het zijn immers deze hervormingen geweest die het
klassieke Grieks de plaats en status gaven die het sindsdien in het
hoger onderwijs heeft gehad. Tegelijkertijd werden de oude Grieken
verheven tot een heldhaftig volk met een unieke cultuur, dat voor het
behoud van zijn vrijheid vocht tegen Perzen en andere bedreigingen. Zo
werd het oude Griekenland tot inspiratiebron voor het moderne seculiere
nationalisme van Duitsers en andere Europese volken.
Deze mythe van een unieke, democratisch en proto-Europese Griekse
cultuur is aantoonbaar onjuist, betoogt Lendering, maar ze valt zelfs
in de recentste tekstboeken van het geschiedenisonderwijs nog terug te
vinden. Als hij gelijk heeft, dan is het werk van de diverse
historische canoncommissies van de afgelopen jaren op fundamenteel
verkeerde uitgangspunten gebaseerd, en moet het dus worden overgedaan.
Hoe precies, dat is vooralsnog een open vraag; maar het is belangrijk
dat deze vraag überhaupt aan de orde komt.
Lendering besluit met de aanbeveling om in het middelbare
schoolonderwijs meer aandacht aan de Babylonische en Arabische wortels
van de westerse wetenschappelijke cultuur te besteden; maar deze
suggestie is niet meer dan een aanzet tot een mogelijk veel radicalere
discussie. Daarin zou zelfs het vocabulaire van de hedendaagse
geesteswetenschappen sterker ter discussie komen te staan. Eveneens in
de vroege 19de eeuw is het begrippenapparaat van 'cultuur',
'beschaving', Bildung,
'nationale identiteit' en 'erfgoed' ontstaan. Dit begrippenapparaat is
wellicht nog invloedrijker dan de verheerlijking van de Griekse
oudheid. Het overheerst nog altijd de hedendaagse geesteswetenschappen,
en wordt in het publieke debat als vanzelfsprekend verondersteld.
Lendering had net iets verder op de geschiedenis van deze ideeën
en begrippen kunnen doorgaan; nu lijkt het of hij de meest radicale, en
spannende, conclusies van zijn eigen betoog niet ziet of durft te
trekken. De inhoud - en volgens sommigen ook het niveau - van het
klassieke gymnasiale onderwijs, en algemener van de
geesteswetenschappen, is in de afgelopen decennia sterk veranderd, maar
de ermee verbonden cultuurbegrippen en cultuuridealen zijn gebleven.
Aan het begin van de 21ste eeuw is het hoog tijd om deze 19de-eeuwse
uitgangspunten van ons hoger onderwijs te herzien. Wanneer Vergeten erfenis daar een aanzet toe geeft, heeft Lendering zijn doel ruimschoots bereikt.
Michiel Leezenberg
|
Overzicht van alle
recensies
|