 |
Livius
is
officieel opgericht op 15 oktober 2006 met een feestelijke bijeenkomst
in De Brakke Grond.
Een van de docenten, Jona Lendering, legde bij die gelegenheid uit voor
welke idealen Livius wil staan.
Je richt niet elke dag een school op. Ik heb het tot nu toe altijd met
enige zelfspot "schooltje" genoemd, of "school in oprichting", want in
feite ben ik om de naam "school" tot blozens toe verlegen. Maar eens
moest het moment aanbreken waarop het "in oprichting" verviel en we ons
als school zonder meer moesten presenteren.
Dat moment is nu.
Waar staan we op dit moment? Ik denk dat we zonder valse bescheidenheid
mogen zeggen: we mogen er zijn. Ruwweg 180 mensen doen dit najaar een
cursus over de oude geschiedenis. Dat zijn er vier keer zo veel als
toen we een jaar geleden begonnen. We hebben hier in de Brakke Grond
een mooie locatie, met het RINO
als
goede tweede uitvalsbasis. We hebben een leuk team van routiniers en
jonge honden, uit verschillende disciplines. Volgend jaar zal de
cursistenvereniging zich aandienen met een eigen nieuwsbrief, in de
wandelgangen aangeduid als "de schoolkrant", waarover u binnenkort meer
zult horen. We hebben aan de wieg gestaan van Momentum.
Volgend semester bieden we veertien cursussen aan en breiden we uit
naar de Middeleeuwen. We moeten uitkijken dat we niet zelfingenomen
worden.
Belangrijker dan de vraag wáár we staan, is de
vraag
waarvóór we staan. Staan wij voor een bepaald
soort
wetenschap of een eigen soort onderwijs?
Dat zou overdreven zijn.
Tegelijk denk ik dat we een vorm hebben gekozen die twee, misschien
tweeëneenhalf, karaktertrekjes bezit die je elders niet zo
snel
zult aantreffen. Daarnaast is er ook over de inhoud iets te melden. In
totaal drieënhalf punt. Eerst een paar woorden over de vorm.
Het komt me voor dat onderwijs, wil het mensen iets meegeven, iets lichtvoetigs
moet hebben. Dat heeft een simpele didactische reden. Leren is
vermoeiend en de aandacht van studenten zakt altijd weg. De docent die
af en toe afdwaalt, een grapje maakt of een verhelderend anachronisme
inlast, brengt alle studenten, als hij de draad van zijn betoog
herneemt, weer op hetzelfde aandachtsniveau.
Een andere manier om de studenten te boeien is het persoonlijke
contact. Onderwijs gaat beter als de docent een herkenbare persoon is.
Onze islamoloog Richard Kroes onderbreekt zichzelf wel eens met een
opmerking als "dat heb ik helemaal zelf bedacht", onze egyptologe
Sigrid van Roode liet laatst foto's zien van hoe ze een Abklatsch
aan het maken was. Wie wil overdragen dat iets belangrijk is, moet
aangeven dat hij er zelf nog enthousiast om kan zijn. Toon als docent
dat de stof groter is dan jijzelf en dat ook jij er nog door
overdonderd kunt raken, en je zult bergen verzetten.
Ik hoop dat Livius dat enthousiaste en lichtvoetige zal bewaren.
Ik ben er zeker van dat dit is waarom u hier vandaag zit. De mensen die
een cursus bij ons komen doen, zijn geen universiteitsstudenten. Het
gaat hier niet om studiepunten of diploma's. Het gaat niet om cijfers.
We zijn hier niet -om pedant een citaat van de filosoof Seneca te
gebruiken- om te leren voor school, maar voor het leven. Geen kwaad
woord over de universiteiten, waar de rendementscijfers een rol spelen
voor de productfinanciering, maar ik denk dat wij ons meer moeten laten
inspireren door een muziekleraar, die getalenteerde en minder
getalenteerde leerlingen niet naar hetzelfde, vastgestelde niveau kan
krijgen, maar ze wel allemaal naar een hoger niveau kan brengen.
Mijn halve punt hangt hiermee samen: onze doelgroep. Die
bestaat overwegend uit wat oudere mensen. We adverteren in de Plus, niet in de Viva of de Nieuwe Revu. Ik zou
de jongere groep erbij willen krijgen en om die reden zullen we volgend
semester een cursus in de avonduren gaan geven.
Het voordeel van een wat ouder publiek is dat de docent ook nog eens
iets nieuws opsteekt. Ik heb altijd gedacht dat het de oprichter van de
universiteit van Berlijn, Wilhelm von Humboldt, was die beweerde dat
een leerstoel een leerstoel heette omdat ook de docent moest leren.
Later wees iemand me erop dat die woordspeling niet mogelijk is in het
Duits. Maar het idee is juist. Overigens, degene die me de herkomst van
het citaat kan vertellen, krijgt naar keuze een krat pils of een doos
sigaren.
Het wederzijdse leren brengt ons op mijn belangrijkste punt: Livius
heeft een nogal ouderwetse
kijk
op onderwijs en wetenschap, een vroeg-twintigste-eeuwse visie. Een
docent of een onderzoeker werkt voor de gemeenschap, die het onderwijs
financiert en er iets voor terug mag verwachten. De humaniora moeten
humaniseren. Vroeger werd dat oprecht geprobeerd, momenteel is dat
alleen te vinden in subsidieaanvragen, waarin men spreekt over "de
roeping tot het letterenonderzoek" en "de noodzaak van verkenning van
onze culturele normen en waarden".
In de loop van de twintigste eeuw is de wetenschap veel professioneler
geworden, en dat is goed, maar het is ten koste gegaan van relevantie
en maatschappelijk belang. Men doet onderzoek naar erg gespecialiseerde
onderwerpen, zoals het gebruik van dakpannen in straatgevechten
(authentiek voorbeeld), maar dat specialisme staat op gespannen voet
met het beleden ideaal dat de humaniora moeten humaniseren. De synthese
waarin al die detailstudies samengevat moet worden, wordt in Nederland
in de praktijk zelden geschreven.
Het specialisme van de universiteit creëerde een tweede
probleem.
Om het toch nog een beetje uit te leggen aan het publiek, is een soort
populair-wetenschappelijk schrijven ontstaan dat in feite de lezer niet
serieus neemt. Er zijn boeken op Kijk-niveau,
maar er zijn nauwelijks of wellicht zelfs geen boeken op Natuurwetenschap &
Techniek-niveau. De lezer wordt bejegend alsof hij de
pubertijd niet is ontgroeid.
Ik zou willen dat Livius zich plaatst tussen de te gespecialiseerde,
irrelevant geworden universitaire geschiedwetenschap en de vulgaire
popularisering. Ik denk dat bijvoorbeeld onze cursus "Joden,
christenen en Romeinen"
toont dat het mogelijk is een groot publiek te bereiken met behoud van
academische idealen - debat, zelfcorrectie, het opgegeven van
vooroordelen.
Als de boekenmarkt een aanwijzing kan bieden voor wat mensen willen op
het gebied van zelfontplooiing, dan bestáát de
vraag naar
de dienst die wij bieden, dan zoeken mensen die middenweg tussen gebrek
aan kwaliteit en gebrek aan relevantie. Boeken als Huizinga's Herfsttij der Middeleeuwen,
Romeins Breukvlak
van twee eeuwen en Dijksterhuis' Mechanisering van het wereldbeeld,
die door geleerden worden beschouwd als zinvolle synthese en tegelijk
de geïnteresseerde lezer niet in de steek laten, zijn nog
volop
leverbaar. Dat bewijst dat er een publiek bestaat dat bereid is tot een
geestelijke inspanning. Wie desondanks nog mocht twijfelen of die groep
mensen bestaat, moet eens in deze zaal rondkijken.
Livius staat niet alleen in zijn ouderwetse kijk. Ik ben blij dat we
vertalers hebben als Gé de Vries, Simone Mooij en Hein van
Dolen, die een antieke tekst niet beschouwen als iets dat wel voor
zichzelf spreekt, maar adequaat inleiden en annoteren. Die het
populariseren van wetenschap beschouwen als het scheppen van wegen om
mensen als het ware op te trekken naar een hoger niveau, waar
academische idealen heersen en twijfel bestaat, in plaats van het
opgeven van die idealen en het presenteren van schijnzekerheden - zoals
te vaak gebeurt. Ik ben ook blij met het internet, waar veel goede
informatie wordt verstrekt. Ik noem RomanArmy.Com
van de Nijmeegse oudhistoricus Jasper Oorthuys, waar dagelijks blijkt
dat academici ook generalist kunnen zijn en dat leken een academische
discussie probleemloos volgen.
Ik heb nog een drieënhalfde punt. Dat gaat over onze
onderwerpskeuze. We hebben een team samengesteld dat een brede kijk
op de Oudheid en - straks - Middeleeuwen wil hebben. Dat wil zeggen, we
kijken vanuit verschillende disciplines en we leggen interregionale
verbanden.
Eerst iets over die disciplines. Een archeoloog die niet in staat is
een tekst te interpreteren, is gedoemd haar letterlijk te nemen en
blunders te slaan. Een classicus die over het Evangelie van Marcus
schrijft zonder de Dode-Zeerollen te kennen, ontspoort even hard. Dit
spreekt vanzelf.
Het pleidooi voor interdisciplinariteit is voor het eerst gehoord
tijdens de wetenschapstheoretische revolutie van de jaren zeventig, en
is sindsdien simpelweg hypocriet gebleken. De archeologen hebben een
andere onderzoeksschool opgericht dan de oudhistorici en classici,
hoewel de leden van deze disciplines om het hardst roepen dat ze meer
moeten samenwerken. Beide Amsterdamse universiteiten hebben de
bibliotheken gesplitst. Een archeoloog die nu wordt opgeleid, krijgt
minder Latijn en oude geschiedenis aangeboden dan twintig jaar geleden.
Livius doet zijn best de droom wél waar te maken. Ons team
is in
elk geval goed.
Die interregionale verbanden zijn nog het meest interessant. Het is
absoluut zinloos te spreken over de opkomst van Rome zonder ook te
kijken naar de wereld van de Europese IJzertijdculturen. Onze
voornaamste bronnen over Perzië zijn geschreven in het Grieks.
De
Macedoniër Alexander
de Grote
paste zijn zelfbeeld aan na een bezoek aan Egypte. De lijst van
interacties is eindeloos en dus moeten die in het onderwijs ook aan de
orde komen.
Ik hecht eraan op deze plaats mijn leermeester Bert van der Spek te
noemen, die als geen ander heeft geijverd voor dit perspectief en in
Amsterdam de studierichting Oudheidkunde heeft opgericht. Die bestaat
nu een kleine twintig jaar en heeft inmiddels een deel van haar idealen
verwezenlijkt. Verschillende Liviusdocenten – ik denk aan
Caroline Fisser, Marian Veldkamp, Hein van Dolen, Richard Kroes,
mijzelf – hebben hiermee te maken gehad. Het is misschien
zinvol
eens op te merken dat Livius Onderwijs in andere stad dan Amsterdam
nooit zou zijn ontstaan.
Ik dank u voor uw aandacht. |
|
|
|